Opinie: Basisonderwijs: te vroeg aanbod, onjuist getoetst

Het basisonderwijs bevindt zich in een neerwaartse spiraal, zo constateert de Onderwijsinspectie. Voorstel voor een remedie.

Wat al lang een publiek geheim is onder basisschoolleerkrachten en ontwikkelingspsychologen heeft de Inspectie van het Onderwijs op 11 april wereldkundig gemaakt in haar jaarlijkse Staat van het onderwijs: het onderwijsniveau van de basisschool holt over de hele linie achteruit, maar in het bijzonder in de kernvakken. Maar liefst 3.500 leerlingen verlieten in 2017 de basisschool met onvoldoende leesvaardigheid en 13.000 leerlingen met onvoldoende rekenvaardigheid. Het percentage onvoldoend geletterden steeg in twee jaar van 1,4 naar 2,2 procent, een stijging met iets meer dan 50 procent.

Een verklaring voor die daling heeft de Onderwijsinspectie niet. Ze is volgens mij te vinden in de geschiedenis van de wetenschappen die zich sedert de Tweede Wereldoorlog met het onderwijs hebben beziggehouden: de ontwikkelingspsychologie, de onderwijskunde en de testpsychologie. De schoen wringt op twee kernpunten van het leerproces, in het aanbod en in de toetsing. Leerlingen krijgen stelselmatig leerstof aangeboden waar ze nog niet rijp voor zijn. En leerlingen worden stelselmatig op een verkeerde manier getoetst, namelijk met tests.

Gesloten netwerk

De gedachte van het vroegtijdig aanbieden van lesstof komt uit de hoek van het in 1946 opgerichte Pedagogisch Instituut in Utrecht. Daar borduurde men voort op de opvatting van de Duitse filosoof en psycholoog Otto Selz, die meende dat het intelligentieniveau van kinderen verhoogd zou kunnen worden.

Het Pedagogisch Instituut heeft tientallen (latere) hoogleraren onderwijskunde of ontwikkelingspsychologie en docenten van kweekscholen en pabo’s opgeleid. Zo is er aan onze universiteiten en pabo’s een betrekkelijk gesloten netwerk ontstaan, dat de externe ontwikkelbaarheid van de intelligentie voor mogelijk houdt en de psychologische ontwikkelingsfasen van het kind ontkent of negeert. Zo kon het gebeuren dat de kleuterschool en de lagere school – op filosofische gronden, maar tegen de op feiten gebaseerde zin van de leerkrachten – in 1985 zijn gefuseerd tot de basisschool. En dat leerlingen daarna in toenemende mate stof kregen aangeboden waar ze op filosofische gronden aan toe zouden moeten zijn, maar waar ze volgens de leerkrachten en een minderheid onder ontwikkelingspsychologen en onderwijskundigen op feitelijke gronden niet aan toe waren.

Letters

Een voorbeeld is dat de Onderwijsinspectie in 2006 alle basisscholen heeft opgeroepen om de kinderen van groep 2 en eventueel ook van groep 1 letters aan te bieden. Feit is echter dat kinderen zowel in 2006 als in 2018 gemiddeld pas rond 6,5 jaar leesrijp worden en dan wat met letters kunnen.

De gevolgen van de grote hoeveelheid voortijdig aangeboden stof zijn fors: leerlingen krijgen tegenzin tegen Nederlands, meer faalangst, minder zelfwaardegevoel en afnemende leesvaardigheid; leerkrachten branden af vanwege het alsmaar moeten uitleggen en verbeteren; zo gaat er veel tijd en energie verloren die beter besteed hadden kunnen worden aan stof waar de leerlingen wél aan toe zijn.

De kiem van het oneigenlijke toetsen ligt in het Cito zoals dat rond 1960 van start ging en in 1968 is opgericht. Een test is doorgaans een meerkeuzetoets en herkent men aan het feit dat er afwijkingen van een gemiddelde uit komen. Een test gooit rijpe en niet-rijpe kinderen op één hoop, bepaalt daar een gemiddelde van en bepaalt van elk kind hoeveel het afwijkt van het gemiddelde. Daardoor verdwijnt bij laagscoorders het zicht op de vraag of een kind ergens niet rijp voor was, of dat het er wel rijp voor was maar slecht onderwijs kreeg, of een persoonlijk probleem heeft waardoor het zich niet kan concentreren of nog wat anders.

Proeven

Naast tests zijn er binnen het toetsgebeuren ook proeven. Rijpheid voor bepaalde schoolstof bijvoorbeeld bepaalt men met rijpheidsproeven. Anders dan tests zijn die gebaseerd op houdbaar gebleken ontwikkelingspsychologische inzichten.

Naast rijpheidsproeven zijn er vorderingsproeven. Overhoringen, proefwerken en examens zonder meerkeuzevragen vallen eronder. Met een vorderingsproef gaat men na in hoeverre een leerling de stof, waar hij blijkens de rijpheidsproef aan toe is, zich daadwerkelijk eigen heeft gemaakt.

Wat er moet gebeuren

De problemen in het Nederlandse onderwijs zijn ernstig en zitten vanwege hun lange voorgeschiedenis diep, maar hangen wel met elkaar samen. Daarom moet er op allerlei fronten wat gebeuren, en wel tegelijk.

De betrokkenen erkennen dat ze slachtoffer zijn van de geschiedenis sedert 1946 en rond 1960, en herstarten met ontwikkelingsfasen en proeven.

Leerkrachten worden weer meester over het lesgeven.

Er komt een gekozen lichaam van de basisschoolleerkrachten dat door de regering voor elke basisonderwijsmaatregel en -wetswijzing moet worden geraadpleegd.

Pabo’s leiden weer op in de theorie en de praktijk van de psychologische ontwikkeling van het kind.

De onderwijsinspectie controleert of een school elk kind in zijn psychologische ontwikkeling volgt en erkent nog slechts proeven.

Het Cito maakt slechts proeven of sluit de deuren.

De overheid belooft dat er na deze structuurwijzigingen in het onderwijs geen structuurwijzigingen meer komen.

Dr. Ewald Vervaet is als wis- en natuurkundige en als ontwikkelings- en leespsycholoog verbonden aan Stichting Histos te Amsterdam.

Toon reacties

Geschreven door

Word wakker met het belangrijkste nieuws uit het Noorden met onze ochtend-nieuwsupdate.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement.