Schoonheid en esthetiek volgens Albert Moore

In de week dat het Fries Museum de schijnwerpers zette op Lourens Alma-Tadema, werd vanuit Eelde een persbericht de wereld ingestuurd met een opvallende foto: een delicaat geschilderd decor waarin drie jongedames met opgestoken haar in weelderige, oranje gewaden op blote voeten doen wat alleen jongedames kunnen doen: schijnbaar onschuldig dromen.

Alweer een verloren gewaand meesterwerk van Alma-Tadema? Gezien de schildertechniek en setting had het gekund. Op de eerste plaats deed de houding van de drie dames op het schilderij denken aan de houding die de modellen van Alma-Tadema steevast moesten aannemen: nonchalant en alles behalve nuttig bezig, eerder verveeld. Of in het geval van de dame in het midden: bezweken door de hitte, ondanks haar waaierende vriendinnen.

Op de tweede plaats vanwege het klassiek aandoende decor dat zo nadrukkelijk in de schilderijen van Alma-Tadema aanwezig is. Niet alleen de zilvergrijze troon viel op, het gold zeker ook de guirlandes, vrijwel identiek aan de bloemenslingers die momenteel in het Fries Museum in Leeuwarden te bewonderen zijn. En wat te denken van de attributen, de vaasjes en het bewerkte kastje op de achtergrond?

Nu, twee maanden later, vormen de drie dames in museum De Buitenplaats het middelpunt van een bescheiden tentoonstelling rond de Engelse schilder Albert Joseph Moore – hij is de maker van het tafereel. En niet alleen dit beeldmerk van de expositie roept Alma- Tadema in herinnering, ook andere schilderijen van Moore doen dat. Wat allerminst vreemd is. Moore (1841 – 1893) en Alma-Tadema (1836 – 1912) waren tijdgenoten, kennissen én geestverwanten.

Ook Moore behoort tot de schilders die in de negentiende eeuw voor hun ideeën over schoonheid teruggrepen op de Klassieke Oudheid, de periode die werd gezien als bron van puurheid en geldt als bakermat van de westerse beschaving. Aan het feit dat die Oudheid beslist ook minder fraaie kanten kende, werd voorbijgegaan. Wat telde was het ideaal, om niet te zeggen het droombeeld van een geïdealiseerd verleden.

De verwantschap tussen Alma- Tadema en Moore is terug te voeren op de impact van Pre-Rafaëlieten, het Britse schildersgenootschap dat zich halverwege de negentiende eeuw afzette tegen de dominante kunstopvattingen van de Royal Academy of Arts in Londen. Onder de noemer ‘School of Olympus’ zetten Moore, Alma- Tadema en ook Frederic Leighton in 1870 een volgende stap door klassieke schoonheid als voornaamste inspiratiebron te kiezen.

Alma-Tadema ging daarin het verst. Hij verdiepte zich op locatie in archeologie, reconstrueerde in zijn schilderijen de Oudheid tot in detail en is daardoor nog altijd medebepalend voor het beeld dat wij van de oude Grieken en Romeinen hebben. Moore vatte het meer symbolisch op. Hoewel ook zijn werk sterk geïnspireerd is op antieke beelden, en dan met name de beroemde Elgin Marbles in het British Museum, ging het hem meer om ‘de idee’ van schoonheid.

Dat het werk van Moore nu in Eelde is te zien, komt niet uit de lucht vallen. Buitenplaats-directeur Patty Wageman was in 2003 verantwoordelijk voor Fatale vrouwen en in 2008 voor de expositie John William Waterhouse in het Groninger Museum, twee grote tentoonstellingen met veel Pre-Rafaëlieten. Toen Wageman vernam dat het Fries Museum wilde uitpakken met Alma-Tadema borrelde de naam van Moore als vanzelf weer op.

Om het werk van de Engelse kunstschilder naar Drenthe te halen, is een samenwerking aangegaan met de York Art Gallery, een museum met een collectie van ongeveer 1000 schilderijen waaronder een fors aantal van de in York geboren Moore. Van de in Eelde getoonde werken komt tweederde uit York. De rest is afkomstig van bruikleengevers, musea uit Noord-Engeland, Schotland en het Tate Museum in Londen.

Moore wordt in Eelde gepresenteerd als een man die de kunst hoger achtte dan commercieel en publiek succes. Volgens zijn biografen sluit zijn levenswandel bij die opstelling aan. Hij zou opvallend verlegen en introvert zijn geweest, wat het zaken doen meestal niet ten goede komt. Hij zou niet geïnteresseerd zijn geweest in aardse zaken en weelde, vandaar wellicht dat hij in armoede is gestorven.

Dat Moore een schilders-schilder was, is duidelijk terug te zien in de geëxposeerde werken. Anders dan in het Fries Museum is in De Buitenplaats geen sprake van een spektakel waarmee honderdduizend bezoekers uit heel Nederland in de benen kunnen worden gebracht. Dat heeft uiteraard met de omvang van de tentoonstelling en de geselecteerde werken te maken. Van de veertig getoonde werken zijn er 24 door Moore gemaakt.

Die andere werken zijn van familieleden en tijdgenoten, onder wie mede-Olympiër Frederic Leighton en James McNeill Whistler, een kunstenaar die een groot overzicht verdient in bijvoorbeeld het Groninger of Drents Museum. Whistler had als vriend een sterke invloed op Moore, vooral door zijn opvatting dat een schilderij niet hoeft te jubelen om indruk te maken.

Zo begon Moore uiteraard niet. Zijn oudste werk in Eelde, de op 15-jarige leeftijd vervaardigde aquareltekening Dode putter (1857), bestaat bijvoorbeeld uit spetterende kleuren. En ook het oud-testamentische tafereel Het offer van Elia (1864) is nog zwaar en dramatisch aangezet. Maar wat daarna volgt, is veelal overzichtelijk, eenvoudig en gemaakt met terughoudendheid, ook in kleur, alsof bescheidenheid voor kunstschilders een deugd is.

Het zijn de ingetogenheid en verstilling die opvallen. De keuze voor het schilderij met de drie jongedames, de titel is Midzomer (1887), als beeldmerk van de tentoonstelling in Eelde is in die zin discutabel. Het lijkt vanwege de dominante oranje kleur eerder Alma-Tadema dan Moore. Het verschil wordt evenwel gemaakt door de dames. Ze zijn neergezet als uitdrukkingsloze modellen, dienende ornamenten.

De ingetogenheid en verstilling blijken nog sterker uit twee schilderijen naast Midzomer. Op Zeemeeuwen uit 1870 en Schelpen uit 1874 ontbreekt de uitbundigheid die het doorgaans goed doet bij een massapubliek en kunstkopers kan verleiden de portemonnee te trekken. Anders dan bij Midzomer is bij deze schilderijen nauwelijks nog een moraliserend of anderszins sturend verhaal te vertellen of te verzinnen. Alleen het schone resteert.

Dat kan heel bevredigend zijn, blijkt uit een staand schilderij als Een venus (1869) en vooral Een tuin (1869). Het laatstgenoemde toont de rug van een vrouw die haar doorschijnende gewaad geraffineerd heeft bedekt met een groen kleed terwijl ze in een binnentuin bloemknoppen plukt en deze in een mandje verzamelt. Bezoekers van het Fries Museum weten welk decadent feest er met die bloemen gevierd kan worden. Bij Moore belooft het weinig tot niets.

Het blijkt ook uit Kralen (1875), een schilderij met twee duttende dames op een bank, van wie er een een waaier en een ketting uit de handen heeft laten glippen, terwijl de ander een opvallend oncomfortabele slaaphouding heeft aangenomen. Ook hier dwalen de gedachten af naar het zoete niets. De suggestie dat dit alles werd vastgelegd of bedacht in een tijd ver voor de GHB, mag worden afgedaan als een misdadige afwijking.

Het uitgangspunt dat het beeld al het werk moet doen, dat de kunst er is om de kunst, en het vertellen van verhalen meer iets is voor media en politiek, is anno 2016 nog altijd goed verdedigbaar. Wat in het geval van Albert Moore opvalt, is echter hoezeer esthetiek onderhevig is aan modegrillen en dus gevoelig voor de tanden van de tijd. Technisch zijn de schilderijen van Moore beslist in orde. Op zijn vermogen tot compositie valt weinig af te dingen. Toch oogt het allemaal wel heel erg decoratief, zeer geschikt voor ansichtkaart en bonbonblik.

Maar ook met zulke schilderijen is een geslaagde tentoonstelling te maken, bewijst De Buitenplaats. Het is een kwestie van context bieden met behulp van tijdgenoten en familieleden en een kwestie van in een architectonisch passende omgeving een slim gedoseerd beeld schetsen van een ontwikkeling die bij Moore eerder naar binnen dan naar buiten leidde.

Het hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn en gepaard te gaan met bloesemlawines. Soms mag het ook over 't diepst van de gedachten gaan. Of over verdwenen schoonheid en achterhaalde esthetiek. Of over helemaal niets, met een handig mandje aarzelend geplukte bloemblaadjes binnen handbereik.

Albert Moore. Over schoonheid en esthetiek is tot en met 19 maart te zien in Museum De Buitenplaats, Hoofdweg 76 in Eelde. Open: di t/m zo 11 tot 17 uur. Gesloten op 25/12, 31/12 en 1/1.

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven