Op Westeinder raatakkers werd al in de ijzertijd geboerd

Even buiten Dwingeloo leefde een paar honderd jaar voor Christus al een boerengemeenschap. De mensen verbouwden diverse gewassen, hielden vee en cremeerden hun doden.

Dat blijkt uit opgravingen die de voorbije vier jaar zijn gedaan door het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). Onderzocht zijn diverse locaties binnen een ongeveer 80 hectare groot complex van vroegere raatakkers in Westeinde, bij Dwingeloo. Dr. Stijn Arnoldussen, docent aan de RuG, leidde het graafwerk. ,,Dit terrein mogen wij van de eigenaar, Natuurmonumenten, gebruiken om er eerstejaarsstudenten archeologie hun eerste ervaring met het veldwerk te laten opdoen”, legt hij uit. Na vier jaar opgravingen vindt Arnoldussen de tijd rijp om met de resultaten naar buiten te treden. Hij, zijn studenten en de vaste begeleiders hebben voldoende interessante dingen aangetroffen.

Spurrie

Raatakkers zijn aaneengesloten, kleine en min of meer rechthoekige landbouwpercelen. ,,Op de akkers van Westeinde zijn in de midden- en late ijzertijd, zo’n 400 tot 300 jaar voor Christus, onder meer vlas, tarwe, gerst, pluimgierst en spurrie verbouwd”, vertelt Arnoldussen. ,,Dat laten verkoolde zaden zien die we hebben gevonden, uit overblijfselen van gerechten waar bij de bereiding iets mee mis is gegaan. Geknoei in de keuken, noemen we dat in de archeologie. De spurrie is mogelijk alleen verbouwd als veevoer, al is het in die periode ook wel door mensen gegeten.” De Drenten in de ijzertijd hielden vermoedelijk rundvee, schapen en geiten. ,,Met varkens in een bijrol.”

Kijkgaten

Grondsporen van de nederzettingen in het zand duiden er op dat hun huizen vrij ruim waren. Arnoldussen denkt dat hier in deze periode van de geschiedenis in totaal zo’n twintig à dertig mensen hebben geleefd. ,,We hebben daarnaast kijkgaten gemaakt in vier aangetroffen grafheuvels om die optimaal te kunnen dateren. We hebben de heuvels niet helemaal opengegraven. In de zure zandgrond in Drenthe vind je geen menselijke resten meer; na meer dan 2000 jaar zijn alle botten compleet vergaan. En mogelijke waardevolle voorwerpen uit de graven zijn er in de negentiende eeuw al uit gehaald. Tussen pakweg 1850 en 1930 groeven met name de notabelen uit liefhebberij naar zwaarden, urnen en dat soort voorwerpen. Nee, wij zijn zeker niet de allereerste onderzoekers geweest op deze locatie, maar wilden de grafheuvels niet onnodig verder verstoren.” Volgens Arnoldussen verbrandden de ijzertijd-Drenten hun doden. ,,De grafheuvels waren brandheuvels.”

Zeldzaam knooppunt

Het bijzonderste van deze locatie vindt hij het feit dat er zowel van de akkers, de nederzettingen als de grafheuvels resten te vinden zijn. ,,Dat zie je weinig, zo’n knooppunt. Alleen in de buurt van Zeijen en op het Balloërveld zijn er sites met dezelfde potentie.” Hij merkt op dat de raatakkers van Westeinde voor zijn studenten een ideale locatie zijn gebleken voor veldwerk. ,,Bij archeologisch onderzoek dat aan een bouwproject voorafgaat, hijgt constant de graafmachine van de aannemer in je nek. In Westeinde hebben we in alle rust gedegen onderzoek kunnen doen.”

Lezing

Komende week gaat Arnoldussen dieper in op de opgravingen in Westeinde. Donderdag 28 september geeft hij een lezing in het OERmuseum in Diever; aanvang: 19.30 uur. Het aantal zitplaatsen is beperkt, reserveren is noodzakelijk. Dat kan per email: reserveren@schultehuus.nl.

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven