De rechtbankverslaggever

Er zijn mensen die denken dat ik in de rechtbank woon. Dat is niet zo. Ik ben veel en vaak in het gerechtsgebouw van Groningen te vinden, ik heb een vaste plek in de rechtszaal, maar slapen doe ik gewoon thuis.

Ik heb een bizar beroep. Soms doe ik ’s ochtends een poging tot moord en daarna een verkrachting om ’s middags wat internetoplichting te doen om af te sluiten met een verkeersongeluk met ernstig letsel of dodelijk afloop. Thuis zeg ik dan dat het een gewone dag was. Nee, niet heel bijzonder. Ja, huilende mensen, veel verdriet, dat wel.

Ik heb een raar beroep. In de krant wordt veel geschreven over FC Groningen. Logisch. De club is populair, het wint wel eens en het brengt tienduizenden mensen naar de Euroborg. Stel dat dat laatste niet zo zou zijn. Dat er veel wordt geschreven over de FC, maar dat er zelden iemand komt kijken. Dat zou nogal raar zijn.

Iedereen een mening

Het strafrecht kan rekenen op net zo veel en misschien nog wel meer belangstelling, maar de publieke tribune in de rechtszaal is leeg. Bij een rechtszaak komt, op direct betrokkenen en een overijverige rechtenstudent na, nooit iemand kijken. En toch hebben we er (bijna) allemaal verstand van en, nog liever, een mening over. Te lage straffen, is zo’n veelgehoorde mening.

Ongewild is het daarom ook de taak van de rechtbankverslaggever het scheve beeld dat er over de misdaad en misdaadbestrijding bestaat een beetje recht te breien. De strafrechtspraak is snoeihard, er wordt pittig gestraft, rechters zijn niet wereldvreemd, advocaten zijn geen graaiers, de politie doet ook wel wat en criminelen kunnen best ook heel aardig zijn. Zoals het op de televisie gaat, in series, in speelfilms, zo is het nooit in het echt.

Het is wel altijd boeiend. Ik heb ’s ochtends als ik richting rechtbank ga vaak geen idee wat me de komende uren te wachten staat. Een kwartiertje later zit ik dan midden in een verhaal dat tien scenarioschrijvers samen nog niet zouden verzinnen. Soms begrijp ik de dief. De veelpleger. Zelfs de moordenaar (maar nooit zijn daad). Met ontuchtpleger heb ik meer moeite. Ik prijs me gelukkig dat ik niet hoef te oordelen. Ik bericht. De rechter berecht.

Nee, nooit is het saai. Er is een mooiste zaak geweest, een zaak die me tot nu toe het meest is bijgebleven, heeft aangegrepen, een lelijkste zaak, er was een meest verdrietige zaak. Maar wat ik heb ervaren is dat het altijd - bij de eerstvolgende zaak misschien al -  nog erger, nog gekker, heftiger, nog triester kan.

Zittingszaal 14

Toen ik als rechtbankverslaggever begon, schreef ik het artikel, het nieuwsbericht, voor de krant, maar de verhalen nam ik in mijn hoofd mee naar huis. Thuis werden ze na verloop van tijd van die menselijke ellende niet altijd even vrolijk. Daarom begon ik een weblog onder de naam Zittingszaal 14, de rechtszaal van het strafrecht in Groningen. Dit blog is nu elf jaar in de digitale lucht met wekelijks nieuwe rechtbankverhalen. Eens per week, al jaren op donderdagavond, schrijf ik onder de noemer ‘alleen de namen zijn verzonnen, de rest is altijd waar’ een blogverhaal voor de weekendbijlage van de krant.

Papier en online - de feiten en de verhalen - gaan goed samen. Het maakt dat ik optimaal verslag kan doen van wat er in de rechtszaal gebeurt, niet alleen de kale feiten en wat er wordt gezegd, maar ook waarover wordt gezwegen. Ik zit altijd vlak achter de verdachte, zodat ik iets meekrijg van de zenuwen die door zijn keel gieren.

Op straat kom ik de mannen tegen over wie ik - soms ook weinig vleiend - heb geschreven. Nog nooit leverde dat problemen op. Ze snappen het wel dat als je iets doet wat niet mag, er dan een stukje in de krant komt. Op die ene verdachte na dan. Hij was allesbehalve blij: ‘Hé Zijlstra, ik lees al jaren die stukjes van je. Dan sta ik zelf terecht en wie is er niet?’ 

Kennelijk was ik toen op weg naar huis om even te slapen.

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven