Expeditieblog (6): Om te janken

Dagblad van het Noorden is mee op de grootste Nederlandse poolexpeditie ooit. Expeditieschip de Ortelius vertrok 19 augustus vanaf Longyearbyen op Spitsbergen. Verslaggever Maaike Borst stapte aan boord om de wetenschappers te volgen in hun zoektocht naar menselijke invloed in de verlaten wildernis.

Grote woorden

Voordat ik op deze poolreis ging, zag ik een filmpje met Ramsey Nasr die vertelde hoe mooi Spitsbergen was. Het was een dramatisch filmpje, waarin hij grote woorden gebruikte en zei dat je hier pas echt voelt dat je leeft.

Ik dacht: zo kan ie wel weer.

Ik ben nu vijf dagen op Spitsbergen, twee echte expeditiedagen gehad, en ik kom er niet onderuit. Ik ga grote woorden gebruiken. Het is hier zo ongelooflijk mooi dat ik wel kan janken.

Ontroering

De zon scheen vandaag op het pakijs. Alleen dat was al genoeg geweest. De schittering, de eindeloos verschillende ijsformaties in wit, blauw en zilver, het geluid van schurend en afbrokkelend ijs, de druppels smeltwater op het zeeoppervlakte, het steeds veranderende zicht omdat alles drijft.

De ontroering was een dag eerder al toegeslagen door de walvissen, en tijdens een ‘zodiaccruise’ langs een vogelklif waar jonge dik- of kortbekzeekoeten (mag allebei, zeggen de specialisten hier) vanaf sprongen.

De klif was honderden meters hoog en vliegen kunnen ze nog niet, die arme schatten. De vaders zitten beneden te roepen ‘spring, spring, spring’ en als ze dan dapper genoeg zijn zweven ze naar beneden, liefdevol begeleid door de moeders die proberen bij te sturen waar nodig. Vlak over onze hoofden doken ze, vooruit geblazen door de wind.

In het zonnetje

Maar vandaag sloeg alles. Na het varen met de zodiac door het pakijs, met aan de overkant kraakhelder zicht op bergen, gletsjers en sneeuw van West-Spitsbergen, lagen de walrussen ons op te wachten op het strand. Heerlijk dicht tegen elkaar aangepropt in de zon, slagtanden omhoog, vinnen zo nu en dan krabbend aan lijf en neus.

Ik zat in het zonnetje te kijken, de temperatuur was ’s middags opgelopen tot een hier uitzonderlijke 14 graden, toen een enorme mannetjeswalrus aan kwam zwemmen, zijn kop eerst een paar keer onderzoekend boven water stak – die tanden! - en aan land ging. Na een meter of twee schuifelen met dat gigantische lijf legde hij steeds even zijn kop neer. Hij had het warm. Uiteindelijk schoof hij, onder luid gemor van de rest, aan bij de troep.

Ramsey Nasr

Gewoon om het te zien, van zo dichtbij, zo’n simpele handeling, van zo’n bizar beest, het is hier, in deze omgeving, adembenemend.

De hele dag liep ik verder rond met twee oude mannen die hier decennia geleden overwinterden, voor wie het hier zo vertrouwd is als thuis. Ze vertelden verhalen en maakten naast al dat natuurschoon – we liepen langs bergen zo kaal en rotsig als in de woestijn en zagen nog een ringelrob, een poolvos en rendieren in de verte – ook de geschiedenis van de plek nog voelbaar.

We wandelden zo rustig dat ik vaak in stilte kon staan, van bovenaf starend over de kust en het pakijs en de zon die alles deed fonkelen. De tranen stonden in mijn ogen. Dat ik nog net niet huilde, kwam waarschijnlijk omdat Ramsey Nasr naast me stond.

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven