Kinderen tussen nul en twee jaar kunnen binnenkort een cijfer krijgen voor hun ontwikkeling. Op die manier is eenvoudiger en sneller te herkennen of het goed gaat met een peuter.
Dat stelt P. Van Buuren, hoogleraar statistiek bij TNO, in zijn inaugurele rede voor de universiteit van Utrecht, die hij vrijdag zal uitspreken. Daarmee aanvaardt hij de leerstoel Toegepaste statistiek van preventief onderzoek.
Volgens de nieuwe methode meet het consultatiebureau de ontwikkeling van zuigelingen en peuters op vaste tijdstippen volgens een vast schema, zoals dat al gebeurt met lengte en gewicht. Ongeveer zestig gegevens over het kind worden dan op vaste tijdstippen met elkaar vergeleken. Het gaat daarbij onder meer om diverse testen op het gebied van kennis en vaardigheid, maar ook wordt gekeken naar de geestelijke en sociaal-emtionele ontwikkeling.
Het verschil tussen scores op twee tijdstippen geeft aan hoe het kind zich in de tussenliggende tijd heeft ontwikkeld. Het model dat Van Buren introduceert maakt het ook mogelijk de scores van een kind te vergelijken met die van leeftijfdsgenoten.
Peuters worden momenteel op alle mogelijke manieren in de gaten gehouden, gescreend, getoetst en behandeld teneinde achterstanden in de ontwikkeling te voorkomen en zonodig te bestrijden. Desondanks groeit het aantal kinderen in het speciaal basisonderwijs, waarbij vooral het grote aantal kinderen met gedragsproblemen opvalt. Daarom wil de Jeugdgezondheidszorg, samen met TNO, snel gaan experimenteren met de nieuwe methode.


