Een knotsgekke verkiezingscampagne

Het was de eerste keer dat burgers gebruikmaakten van hun nieuwe wettelijke recht om een raadplegend referendum af te dwingen. Maar het duurde lang voordat het ging leven.

Het was misschien wel de gekste verkiezingscampagne ooit. Direct nadat bekend werd dat het referendum er zou komen, in oktober 2015, schoot het nee-kamp uit de startblokken. Het ja-kamp, en zeker het kabinet, liet zich lange tijd niet zien.

Knappe prestatie

De initiatiefnemers, die van meet af aan duidelijk maakten tégen het associatieverdrag met Oekraïne te zijn, leverden een knappe prestatie: de benodigde 300.000 handtekeningen om het eerste raadgevend referendum ooit af te dwingen, werden ruimschoots behaald; aan publiciteit geen gebrek. En Jan Roos, het wandelende uithangbord van GeenPeil, was maar al te graag bereid om tekst en uitleg te geven.

Zo werd het referendum al snel eigendom van het nee-kamp, dat vanaf het begin uitstraalde dat het hun helemaal niet om Oekraïne te doen was, maar om de Europese Unie. Het associatieverdrag was slechts de stok om de hond mee te slaan.

Laat op gang

Door het oorverdovende geluid van de initiatiefnemers kwam de campagne van de voorstanders pas laat op gang. Het in de verdediging gedwongen kabinet zei aanvankelijk dat het alleen desgevraagd campagne zouden gaan voeren. Gaandeweg liet het die houding varen. Uit uitgelekte strategieën en mails bleek dat Ruttes regeringsploeg een flater wilde voorkomen. En zo kwam het dat uiteindelijk bijna iedere minister of staatssecretaris op een zeker moment toch de woorden ‘Oekraïne’, ‘associatieverdrag’ en ‘referendum’ in de mond nam. Om daar aan toe te voegen dat hij of zij ‘uiteraard’ vóór ging stemmen.

Uiteindelijk gingen slechts twee partijen vol op het orgel. D66, zijn kroonjuwelen schatplichtig, ijverde hartstochtelijk voor een voor-stem. Partijleider Alexander Pechtold deelde al weken geleden onvermoeibaar flyers uit op markten in het land. Aan de andere kant van het politieke spectrum gaf de SP gas met een niet te missen ‘NEE, NEE, NEE-campagne’. Landelijk campagneleider Harry van Bommel trainde hoogstpersoonlijk 40 tot 50 regionale campagneleiders. Die moesten vooral in gesprek gaan met de mensen en voldoende munitie hebben om verbaal gaten te schieten in het associatieverdrag.

Achtergrond

De anderen: PVV en Partij voor de Dieren in het nee-kamp, VVD, PvdA, GroenLinks, CDA, ChristenUnie in het ja-kamp: bleven op de achtergrond. PVV-leider Geert Wilders moest zijn eerste flyeractie uitstellen na de aanslagen in Brussel. De Partij voor de Dieren begon pas een week vóór het referendum schoorvoetend met de nee-campagne.

Bij het ja-kamp spatte de tegenzin er soms van af. VVD-fractieleider Halbe Zijlstra kwalificeerde de pro-manifestatie op de Dam, waar hij zelf aan meedeed als een gebeurtenis waaruit ‘wanhopige verlamming’ sprak. Zijn partij zat dan ook in een vervelende spagaat: de VVD is tegen referenda, maar vóór dit verdrag. CDA-leider Sybrand Buma was om dezelfde reden ook al niet erg zichtbaar. En de PvdA liet het felle campagnevoeren aan de Jonge Socialisten over. Diederik Samsom had het druk genoeg met zijn plan om de vluchtelingenstroom in te dammen.

Toon reacties

Word wakker met het belangrijkste nieuws uit het Noorden met onze ochtend-nieuwsupdate.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement.