Aly Freije. Foto: Peter Wassing

‘De vloeivelden in’ van Alie Freije: Groezelige schuimwolken om in te verdwijnen (+video)

Aly Freije. Foto: Peter Wassing

Na twee bundels met opvallende poëzie zette Aly Freije zich aan het schrijven van proza. De vloeivelden in vertelt over afscheid nemen en een jeugd in de Veenkoloniën.

Eerst maar eens over de titel. Wat zijn vloeivelden? ,,Afwateringsgebieden met residuen van de aardappelmeelfabriek”, verklaart Aly Freije (1944) enigszins technisch. ,,In Veelerveen, het dorp waar ik geboren ben, kon je ze ruiken. Bij de fabriek waren velden aangelegd om afvalstoffen op te lozen. Eiwitten. Groezelige schuimwolken waar je in kon verdwijnen. Het broeide.”

Proza

Na twee lovend ontvangen dichtbundels, Wondpoeier (2009) en Door het vanggat (2016), besloot Aly Freije zich aan proza te wagen. Het resulteerde in een boek dat door de een als een novelle wordt omschreven, terwijl een ander er een compacte roman in zal zien. ,,Ach ja”, zegt de schrijfster uit Groningen, ,,het is een raamvertelling met verhalen en situaties gebaseerd op mijn jeugd.”

De vloeivelden in begint in het waddengebied, maar vertelt daarna vooral over twee cruciale jaren in de ontwikkeling van een meisje, Anna, dat in een kanaaldorp op verschillende grenzen stuit. Op de eerste plaats woont ze aan de rand van de Veenkoloniën in Westerwolde en het Oldambt – Duitsland begint een paar kilometer verderop. Op de tweede plaats groeit ze op een in boerengezin dat moeite heeft het hoofd boven water te houden.

Het verhaal speelt grotendeels in de jaren vijftig. ,,Een periode waarin de patronen tussen mannen en vrouwen ter discussie komen te staan. Waarin de hoofdpersoon haar seksualiteit begint te onderzoeken”, schetst Freije. ,,Er voor uitkomen dat je lesbisch was, was niet aan de orde. Er was niets over bekend. Je hoorde het niet. Je zag het niet. Je las er niet over.”

Onheilspellend

De sfeer in haar boek heeft iets bedreigends en onheilspellends. Deels komt dat door de leegte die Freije beschrijft. Maar het komt ook door de dood, het zwijgen daarover en een bijbehorend gevoel van eenzaamheid. ,,Het is al schrijvend ontstaan. Ik heb de Veenkoloniën gebruikt om het unheimische gevoel van dat meisje achtergrond te geven. De Veenkoloniën zijn ergens ook wel onheilspellend.”

,,Het is dubbel. Als kind heb ik veel vrijheid ervaren. Zo ben ik ook opgevoed. Die positieve kant zat ook aan het leven in de Veenkoloniën. Er woonden heel veel verschillende soorten mensen. Het was een smeltkroes, veel gevarieerder dan het Hogeland. Als je nu door Veelerveen rijdt, heeft het iets treurigs.”

Ze vertelt over het verdwijnen van de middenstand op het platteland, het wegsijpelen van activiteit en leven. ,,Dat roept een gevoel van verlies op. Alsof het voorbij is. Mijn vader kon kiezen tussen een staatsboerderij in de Noordoostpolder en de Veenkoloniën. Omdat het dichter bij de familie was, koos hij voor Veelerveen. Gelukkig maar. Het was allemaal nog nieuw. Pionieren in de jaren veertig en vijftig.” (tekst leest verder na afbeelding)

De Veenkoloniale literatuur komt ter sprake. Wenst van Allard Schröder, Kinderen van het ruige land en En ik herinner me Titus Broederland van Auke Hulst, De eeuwige jachtvelden van Nanne Tepper. Ook De vloeivelden in leest niet bepaald als een brochure om toeristen mee te lokken. ,,Als je over een dorp schrijft, heb je dat al snel”, nuanceert Freije. ,,Aan het dorp moet je je ontworstelen. De stad staat dan voor vrijheid. Zo heb ik het althans beleefd. Toch ga ik graag terug, vooral om het landschap te ervaren. In de stad mis ik de ruimte.”

Laatbloeier

Freije is als schrijfster een laatbloeier. ,,Ik was een boerendochter. Wij hadden thuis niet veel met literatuur. Hooguit waren er een paar streekromans. Toch waren mijn ouders geïnteresseerd in kunst en cultuur. Ze bezochten de rederijkersbijeenkomsten en de culturele kring in Winschoten. Maar het idee dat je schrijver kon worden, dat was nicht im Frage . Het was meer: ‘Jij moet een beroep leren meisje’.”

Na haar studie sociologie, een stapel rapporten die in bureaulades verdween en een reeks functies en projecten in de volwasseneducatie, pakte ze rond haar veertigste alsnog haar pen op. ,,Op de Schrijversvakschool in Amsterdam. Een van de verhalen in dit boek stamt uit die tijd. Toch koos ik voor poëzie. Na 2000 ben ik er serieus werk van gaan maken. Eerst in het Gronings. Nu in het Nederlands, omdat ik dan meer taal tot mijn beschikking heb.”

Over haar literaire ambities spreekt ze relativerend. ,,Mijn tweede dichtbundel, Door het vanggat , is goed ontvangen, maar niet nationaal opgepikt. Dat gebeurt met dit boek misschien ook niet. De Nederlandse literatuur waar in de media veel aandacht voor is, is literatuur die in de stad speelt. Voor het platteland is minder belangstelling. Ik voel in dat opzicht meer verwantschap met Scandinavische literatuur. Ach, nou ja, mechanismen en modes, je heb er toch geen grip op.”

menu