Carry van Bruggen (1881-1932), geboren in Smilde, was een indrukwekkende denker en bijzondere schrijver. Recent is een boek over haar verschenen.

Als geboren Drent koester ik het feit dat in 1881, zo’n tien kilometer ten zuidwesten van mijn geboorteplaats Assen, de joodse schrijver en filosoof Carry van Bruggen in het lintdorp Smilde werd geboren als Carolina Lea de Haan. Haar broertje, de schrijver Jacob Israël de Haan, kwam er ook ter wereld in hetzelfde jaar.

loading  

Zij in januari, hij in december. Het gezin De Haan verhuisde in 1885 naar Zaandam, de plaats van haar jeugd en de plek waar ze over schrijft in de autobiografische verhalen uit Het huisje aan de sloot (1921). Barber van de Pol heeft gelijk als ze in haar deze week verschenen boek Er is geen ander zijn dan anders zijn. Denken met Carry van Bruggen schrijft ‘dat er ten onzent nood was én is aan Carry van Bruggen.’

Woelige geest

Van Bruggen was een indrukwekkende denker en bijzondere schrijver. Eva (1927) is hét modernistische visitekaartje van de Nederlandse literatuur en de beste Nederlandstalige roman van het interbellum. Deze filosofische en vrijwel plotloze roman is wervelend door de bewustzijnsstromen van Eva.

Ze wordt onderwijzer, trouwt met docent Ben, ze krijgen twee kinderen, scheiden later weer en haar geliefde tweelingbroer David sterft. Dit introspectieve boek is vooral zo indringend en intens door de uiterst secure weergave van Eva’s woelige geest. Onrust overheerst, alles stroomt: ‘Geen enkel ding liet mij met rust. Alles vloeide mij toe, en vloeide van mij uit – ik was het vloeiend hart van alle dingen.’

‘Er is geen ander zijn dan anders-zijn. Er is geen ander willen-zijn dan anders-willen-zijn. Levensdrift is Distinctiedrift.’

In haar filosofische essay Prometheus (1919) betoogde Van Bruggen: ‘Er is geen zijn, er is alleen worden.’ Volgens Van Bruggen word je iemand doordat je je onderscheidt. Van de Pol ontleent de titel van haar boek aan een van de stellingen uit Van Bruggens filosofische essay Hedendaags fetisjisme (1925):

 

Jezelf onderscheiden is essentieel. ‘Alles is onderscheid,’ schrijft ze in Prometheus . ‘Leren is onderscheiden, kennen is onderscheiden, begrijpen is onderscheiden. Elk vermogen is onderscheidingsvermogen. Elke ontwikkeling is ontwikkeling van dat vermogen.’

We onderscheiden ons van anderen uit noodzaak, het is wezenlijk voor het zelfbehoud én voor het nietzscheaanse idee om te worden wie je bent: door distinctie word je een individu, het is de beweging van een mens naar een ik.

Volgens Van Bruggen is de ‘ware, denkende’ mens een individualist en die ‘heeft zich als het “middelpunt van het heelal” gesteld’. De mens is niet door God geschapen, hij is zelf een scheppend wezen, dat zijn leven vormgeeft door onderscheid. Het gevolg is dat de mens op zichzelf is aangewezen; het individu is, tegen wil en dank, haar eigen centrum. Staand op een brug denkt Eva: ‘staat het om mij heen, omsnoert het mij, en staart het mij aan en staart op mij neer en staart naar mij op... de grote stille vensterogen in de gevels... de matte bomen, het schimmig water... ik ben van alles het middelpunt.’ Dit individualisme heeft niks met narcisme te maken, het is een filosofisch standpunt en kenmerkend voor de literatuur van het modernisme. Het gaat om de vragen: wat kan ik kennen en wie is die ik? Wat Eva kent is ‘een kostbaar weten, een wankel, broos, onzeker weten...’

Een associatief en persoonlijk essay

Kennis is onvast en fragiel, de onzekerheid domineert, ‘maar de twijfel doet de denker niet vertwijfelen’, betoogt Van Bruggen in Prometheus , ‘neen, de twijfel is hem de grootste steun’. Er is natuurlijk nog wel altijd die ene zekerheid: de dood. Eva is zich bewust van de ‘gespletenheid’; dat ze tegelijk het belangrijkste (het middelpunt) en onbelangrijkste is: nietig en sterfelijk, ook zonder haar zal de wereld door draaien.

loading  

Een aantal zinsneden uit Prometheus herhaalt Van Bruggen in Eva , ‘alsof haar theorieën koste wat het kost aan de man gebracht moesten worden,’ schrijft Van de Pol wat oneerbiedig in Er is geen ander zijn dan anders zijn . Van de Pol grossiert in dit soort uit de mouw geschudde stelligheden zonder onderbouwing. Haar boek is een associatief en persoonlijk essay waarin ze veel andere boeken en schrijvers aanhaalt, maar de verdieping ontbreekt omdat al die namen worden gedropt zonder toelichting.

‘Volgens Plato was dat stomme nabootsen not done, maar Manon Uphoff doet het in Vallen is vliegen [sic] (2019) met verve. Kledderboem.’ Wat betekent kledderboem hier? Dat Plato vet gedist is? Is het een equivalent van de mic drop ? En wat doet Uphoff nou precies met verve? Nabootsen? Het blijft allemaal wel erg algemeen; het is aanwijzen, niet essayeren: ‘Zie de fascinerende reserve waarmee Frida Vogels zichzelf verkent.’ Hier worden geen verbanden gelegd, er worden dingen genoemd.

Levenswerk

In 1904 trouwde Carry van Bruggen met de journalist Kees van Bruggen, met wie ze twee kinderen kreeg. Ze woonden een paar jaren in Nederlands-Indië en keerden in 1907 terug naar Nederland. In dat jaar debuteerde Van Bruggen met de verhalenbundel In de schaduw (van kinderleven) .

Haar huwelijk met Kees van Bruggen is het onderwerp van de roman Een coquette vrouw uit 1915. Daarvoor schreef ze de romans De verlatene (1910) en Heleen (1913). In 1917 scheidde ze van Van Bruggen en twee jaar later verscheen Prometheus . Dit omvangrijke filosofische essay (de eerste druk telde 737 bladzijden) beschouwde ze als haar levenswerk.

In Politicus zonder partij (1934) schreef Menno Ter Braak dat hij tegenover Prometheus ‘nooit ondankbaar zal zijn.’ Al heeft hij bij herlezing genoeg aan te merken: ‘Met al zijn coquetterie naar de philosophische katheder blijft Prometheus het levenswerk van een mens, niet van een specialiste’. Het laatste is bedoeld als compliment, gezien het gehamer van Ter Braak op persoonlijkheid in de literatuur, maar je kunt het ook als een belediging lezen: het tegenovergestelde van een specialiste is een amateur.

Van Bruggen had geen klassieke opleiding genoten. In Zaandam ging ze eerst naar de ULO en daarna volgde ze in dezelfde stad een opleiding tot onderwijzeres. Ze was een autodidact, ‘een ploeteraar’ volgens Van de Pol.

Haar geestdrift en werklust zijn bewonderenswaardig. Misschien is de opmerking van E. Du Perron in een brief van 12 januari 1932 aan Ter Braak over Prometheus daarom wel zo krenkend: ‘ik word alleen een beetje gehinderd door haar stijl, of liever, haar betoogtrant. Ik voel me, haar lezend, bij momenten toch wel erg op de avond-cursus.’ Ook de bekende historicus Johan Huizinga was ‘weinig onder den indruk.’ Niks noordelijke kameraadschappelijkheid, de in Groningen geboren Huizinga vond Prometheus ‘een vrij goedkoope zaak.’

Taalgebruik

In Hedendaags fetisjisme ontmantelt Van Bruggen het idee dat er zoiets bestaat als een ‘oorspronkelijke’ taal: ‘De taal is een code, en een code van troebele en duistere herkomst’. Taal is een fictie, het is bedacht, een menselijke constructie en met deze gedachte loopt Van Bruggen decennia vooruit op de postmoderne filosofie waarin het fictieve van de taal een belangrijk element was. Ze is geestig als ze schrijft over het willekeurige van taalgebruik en polemisch wanneer ze het heeft over de ‘vloek’ van nationale talen, want ‘op de bodem van alles dat absurd en slecht is, ligt het nationalisme.’

Zowel in Eva als in Hedendaags fetisjisme haalt Van Bruggen het platoonse idee aan dat verwondering de weg naar wijsheid is. Verwondering is gekoppeld aan bewust leven, want niet domheid of onwetendheid zijn de grootste vijanden van het individu, maar automatismen. ‘Daarop en daarop alleen, op bewustheid en oprechtheid komt het altijd weer neer, daar ligt de scheiding tussen waar en onwaar, tussen goed en kwaad, tussen gerechtigheid en onrecht,’ schrijft Van Bruggen in Prometheus .

Depressies

Een jaar na het verschijnen van Eva , de kroon op haar oeuvre, stortte Van Bruggen in. ‘Kinderen, ik ben ziek,’ zei ze in een taxi naar huis tegen haar zoon Kees en zijn vrouw. Ze leed aan zware depressies en werd nooit meer beter. Op 16 november 1932 overleed ze. Een dag later vroeg Ter Braak in een brief aan Du Perron of hij al had gehoord van haar dood ‘(men zegt: suicide)‘. Van Bruggen leed aan slapeloosheid en nam een overdosis slaapmiddelen. Nam ze per ongeluk te veel of was het zelfmoord? Men is er nog steeds niet uit.

 

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur