Jean Pierre Rawie

Column Jean Pierre Rawie: Brievenbus

Jean Pierre Rawie Foto: Marcel Jurian de Jong

De Jonge Vrouw Die Over Mijn Welbevinden Waakt schonk mij een stappenteller, waardoor mijn dagelijkse doen ingrijpend veranderd is.

Nu ik kan zien hoeveel kilometer ik wandelend afleg, ben ik in een soort wedstrijd met mijzelf verwikkeld; een te gering aantal stappen ervaar ik als een nederlaag. Eens merkte ik halverwege een voettocht dat ik vergeten had het vernuftige apparaatje bij me te steken. Toen was het allemaal voor niks geweest.

Al flanerend viel me op dat er sedert een paar weken aan een voorwaarde wordt voldaan, die ik altijd al vanzelfsprekend vond, maar die tot voor kort nog niet iedereen in acht nam: dat men eerbiedig terzijde wijkt wanneer ik nader schrijd. Onze nieuwbakken Vader des Vaderlands heeft het volk ervan overtuigd dat andere mensen eng en vies zijn; ik hoop dat de daaruit voortvloeiende afstandelijkheid geen voorbijgaand verschijnsel is.

Aangemoedigd door het fraaie voorjaarsweder loop ik door de stad waar ik reeds een halve eeuw woon, en kijk mijn ogen uit. Vroeger ging ik veelal in gedachten verzonken gericht ergens heen, maar omdat tegenwoordig alleen de afstand telt, ontwaar ik dingen die me al die tijd niet opgevallen zijn, zoals grillige gevels boven eenvormige winkelpuien en zonderlinge uitbouwtjes aan verder weinig belangwekkende rijtjeswoningen.

Het aangezicht van een stad verandert sneller dan een mensenhart, verzuchtte Baudelaire, en telkendage moet ik vaststellen hoe waar dat is. Veel van de huizen waar ik heb liefgehad zijn op last van het stadsbestuur afgebroken, en in de schaars overgebleven lieux de mémoire hokken thans onbekenden, en ach! onbekend maakt onbemind.

De overstelpende hoeveelheid nieuwbouw, vooral in buitenwijken waar ik weleer zelden kwam, beschouw ik met verwondering. Het meeste is moeilijk oogstrelend te noemen;- ik vrees dat de architectuur van na de Tweede Wereldoorlog in de geschiedenis geen onverdeeld gunstig oordeel zal oogsten. ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten,’ mopperde Nescio ooit in dit verband, ‘als ’t kan een beetje hardhandig.’ En dan te bedenken dat het tijdens zijn leven, vergeleken met heden, nog meeviel.

Het ergste zijn bouwmeesters die menen te weten hoe ‘het gezicht van onze tijd’ eruit moet zien. De woede van deze deskundigen over de nieuwbouw in de Groningse Waagstraat was tekenend. De bevolking had zich daar in een referendum voor uitgesproken, helemaal geen rekening houdend met het gezicht van onze tijd, en gekozen voor het meest medemensvriendelijke ontwerp. Dat was van een onvoorstelbare kortzichtigheid, zeiden de kenners, die zelf merendeels rietgedekte boerderijtjes in het stroomgebied van de Drentsche Aa bewoonden.

Tijdens mijn rondgang zie ik soms wanstaltigheden, waarvan het onbegrijpelijk is dat ze ooit neergezet mochten worden (de school bij het ‘Kasteel’ aan de Verlengde Visserstraat), terwijl deze stad er een welstandscommissie op nahoudt die je onmiddellijk op de vingers tikt wanneer de tussenspijl in je raam twee centimeter te breed is.

Het is een schrale troost dat architecten ook maar mensen zijn. Ik kende een flamboyante, uitbundig homoseksuele vertegenwoordiger van de soort, die me vertelde dat elke architect steevast één detail over het hoofd ziet. ,,Ikzelf’’, sprak hij niet zonder behaagzucht, ,,vergeet bijvoorbeeld altijd de brievenbus.”

menu