Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Doopceel

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Doopsgezinden, ook wel mennonieten, menisten of dopers genoemd, zijn een eigenaardig gezelschap. Ik weet er alles van, want mijn vader was doopsgezind predikant.

De benaming is misleidend; ze wijzen, anders dan alle overige kerkgenootschappen, de kinderdoop af, en erkennen alleen de vrijwillige toetreding van volwassenen.

Hun principiële pacifisme, ruimdenkendheid en tolerantie staan in schrille tegenstelling tot de beweging waaruit ze zijn voortgekomen. De wederdopers waren in de zestiende eeuw zo’n beetje de meest radicale ketters, die te vuur en te zwaard werden vervolgd, niet alleen door de roomse moederkerk, maar ook door de protestantse lutheranen en calvinisten. Ze aanvaardden geen gezag, liepen naakt over straat en predikten veelwijverij.

Berucht is het Koninkrijk Sion, dat door de uit Leiden afkomstige doperse kleermaker Jan Beukelszoon – jawel, Jantje van Leiden – kortstondig in Münster werd gevestigd (1534-1535). Tijdens zijn schrikbewind liet Jan alle boeken behalve de bijbel verbranden, schafte het geld af, en gaf zelf het goede voorbeeld door zeventien vrouwen te huwen, van wie hij er één naar verluidt eigenhandig onthoofdde toen ze hem wilde verlaten.

Ik maak me sterk dat veel doopsgezinden tegenwoordig geen weet hebben van de geestdrijverij die aan hun gemeenschap ten oorsprong ligt

Nadat de stad door de rechtmatige heerser, graaf-bisschop Franz von Waldeck, was heroverd, werd de zelfbenoemde koning Jan met een paar van zijn makkers vakkundig gefolterd en uiteindelijk gedood, waarna hun lijken in kooien aan de kerk tentoongesteld werden. Dat zou ze leren.

Onder invloed van de enige oorspronkelijk Nederlandse hervormer, Menno Simons, ontwikkelde de sekte zich in gematigde richting, en ik maak me sterk dat veel doopsgezinden tegenwoordig geen weet hebben van de geestdrijverij die aan hun gemeenschap ten oorsprong ligt. Ze belijden hun geloofsovertuiging zo beschaafd en ingetogen, dat je er niks van merkt.

Onlangs kreeg ik een brief van mijn uitgever, die zich bezorgd afvroeg of ik eigenlijk zelf wel gedoopt was, of dat ik me uit puberale balsturigheid aan dat sacrament onttrokken had. Daarmee sneed hij een heikel onderwerp aan. Het zit zo.

Inderdaad ging ik bijna een leven lang ongedoopt door de wereld (,,Dat zou ik niet durven’’, verzuchtte een vrome vriendin bij het horen van deze roekeloosheid). Toen ik evenwel negen jaar geleden ten gevolge van een beroerte in het UMCG op apegapen lag, kwam de van huis uit katholieke Jonge Vrouw Die Uitsluitend Mijn Belang Nastreeft in gewetensnood; in arren moede bekruiste ze mij met een paar druppels water – ik merkte er toch niets van – en sprak: ,,Ik doop je”.

Na wat we maar mijn herstel zullen noemen vertelde ze dat aan een geestelijke uit de vriendenkring, die deze lekendoop tot zijn spijt ongeldig verklaarde, want ze had ‘Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes’ moeten zeggen. Geenszins uit het veld geslagen wendde ze zich tot zijn baas, de toenmalige bisschop De Korte, die haar gelijk gaf: het ging om de intentie.

Maar inmiddels wordt de kerkprovincie door een behoudender prelaat bestierd, die overhelt naar het standpunt van de bevriende geestelijke. We zijn er dus nog niet uit, en wachten de beslissing van hogere instantiën af. Roma locuta causa finita (als Rome gesproken heeft, is de zaak afgedaan).

menu