Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Faust

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

In veel wijsheid is veel verdriet, en wie wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart, zegt de Prediker. Hoe waar deze woorden zijn, ervaar ik dagelijks.

Ik doel niet op ergernis over de onzin die de meeste medemensen te berde brengen, want ik leid een teruggetrokken leven en kijk geen televisie. Maar in de folianten die ik ten bate van mijn algemene, vooral geschiedkundige, ontwikkeling raadpleeg, ontdek ik geregeld fouten en slordigheidjes.

Een enkele vergissing is wel te vergeven, maar bij ernstige onjuistheden ga je ook aan de rest van de geboden informatie twijfelen. Wanneer een historicus beweert dat de – op zijn manier – zeer verlichte keizer Josef II (1741-1790) een behoudende kwezel was, wat moet ik dan nog van zijn verdere betoog geloven?Vroeger was geschiedschrijving in hoge mate ideologisch gekleurd. In de negentiende eeuw werd het verhaal van de 80-jarige oorlog door katholieke auteurs heel anders verteld dan door protestantse. Een roomse vriend van mij haalt graag een schoolboek uit zijn jeugd aan, waarin een gravure stond van de moord op Willem van Oranje met het onderschrift: ‘Wat maakten die ouderwetse pistolen een boel rook!’ Het aantal door Alva terechtgestelde ketters werd daarentegen door bevindelijke chroniqueurs weer schromelijk overdreven, alsof de werkelijke cijfers niet erg genoeg waren.

Tegenwoordig poogt men de geschiedenis ‘objectief’ te beschrijven, wat eigenlijk onmogelijk is, doch waar wel naar gestreefd dient te worden. Het valt menigeen niettemin moeilijk zijn weerzin tegen, ik noem maar iemand, Hendrik VIII, niet enigszins te laten doorklinken, maar idealiter zou een persoonlijke mening geen rol mogen spelen (dat is wel jammer; ik stel me bijvoorbeeld dikwijls op als onverzoenlijk tegenstander van de Franse revolutie, maar ik ben dan ook geen historicus). Op de feitelijke juistheid van gegevens moet in ieder geval niets aan te merken zijn.

Bij vertaalde werken doet zich een extra probleem voor. Mijn ouders hebben kromgelegen om mij vreemde tongen te doen bijbrengen, dus ik lees zoveel mogelijk in het origineel. Alles wordt evenwel vertaald, en soms verschijnt een boek eerder in het Nederlands dan in de oorspronkelijke taal.

In die vaak onder grote tijdsdruk vervaardigde vertalingen sluipen allerlei ongerechtigheden, en waar uitgevers geen correctoren meer in dienst hebben, kom je wonderlijke dingen tegen. Een bevriende geestelijke is bezig in de Nederlandse versie van Tom Hollands nieuwste boek, over de invloed van het christendom op de moderne wereld. Het eerste wat hem bevreemdde, was de vermelding van Sint Beda als ‘Bede’ (in het Engels heet hij the venerable Bede ). Voorts wordt de heilige Columbanus Sint Columbus – ach, het scheelt immers slechts één lettergreep. Decades (decennia) is in de weergave ‘eeuwen’ geworden. Ga zo maar door.

Belangwekkend is het dilemma waar zich een vertaler voor gesteld ziet als hij een fout in het origineel opmerkt. Moet hij die verbeteren of niet? In een studie betreffende de jaren na Napoleon schrijft Adam Zamoyski over de Faust van Schiller. In de Nederlandse editie is dat stilzwijgend veranderd in Goethe. Dezelfde alinea maakt gewag van Schillers – non existente – toneelstuk Don Juan ; dat is blijven staan. Je kunt niet alles weten.

menu