Jean Pierre Rawie

Column Jean Pierre Rawie: Onze Vader

Jean Pierre Rawie Foto: Marcel Jurian de Jong

Hovaardij voert het lijstje der hoofdzonden aan. Het betreft immers de ondeugd die Satan er in den beginne toe bewoog tegen de Schepper in opstand te komen.

Het tegenovergestelde ervan is deemoed (ootmoed) of nederigheid, een eigenschap die in het christendom hoog aangeschreven staat, en bijvoorbeeld als vereiste geldt in kloosterorden. Een nederig mens hecht niet aan zijn eigen oordeel of belang, en stelt de mening en het welbevinden van anderen voorop.

Het is met deze deugd echter ingewikkeld gesteld; onze natuur verzet zich tegen zelfverloochening, en ware ootmoed is buitengewoon zeldzaam. ‘Wie in de ogen van de goegemeente het deemoedigst en nederigst zijn,’ betoogt Spinoza, ‘zijn meestal in de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig.’ Bij Dickens komt een uiterst onguur sujet voor, Uriah Heep, die voortdurend op zijn eigen nietswaardigheid wijst: “ I’m a very ’umble person, Master Copperfield. ” Nou, dan weet je het wel.

Tijdens zijn reis door het hiernamaals stuit Dante in het vagevuur op de hoogmoedigen, schimmen die het gedurende hun aardse bestaan te goed met zichzelf getroffen hadden, en daar nu voor boeten, dusdanig terneergedrukt onder de last van zware rotsblokken dat Dante diep moet bukken om hen in het gelaat te kunnen zien.

Hij komt kunstenaars tegen die ach! te laat het onbeduidende van hun kortstondige glorie onderkennen. Zonderling is dat hij, aangaande een ooit befaamde dichter wiens roem volkomen verduisterd is door zijn opvolger, voorspelt dat er na hen ‘wellicht één geboren is die beiden zal overtreffen’. Het lijdt geen twijfel dat Dante hiermee zichzelf bedoelt; een merkwaardig moment voor zulke borstklopperij.

Bij Dickens komt een uiterst onguur sujet voor, Uriah Heep, die voortdurend op zijn eigen nietswaardigheid wijst ... Nou, dan weet je het wel

Artistieke types, dat had hij goed gezien, ervaren deemoed als nog moeilijker haalbaar dan anderen. Je maakt (‘schept’, het woord zegt het al) iets wat er tevoren nog niet was, en bent daarmee in zekere zin ‘een collega van God’; blijf daar maar eens bescheiden bij. Er zijn er, zoals Bruckner, die volhouden dat hun werk niet hún verdienste is, maar van hogerhand gegeven, doch daarmee benadruk je slechts je uitverkorenheid. Echt nederig is dat niet.

Met een gewiekste vorm van kunstzinnige ijdelheid werd ik de afgelopen Goede Week geconfronteerd, toen de klassieke zender een weergave van Bachs Mattheuspassie door Jos van Veldhoven uitzond, die na het magistrale slotkoor Wir setzen uns mit Tränen nieder opeens een extra koraal liet horen, van ene Jacobus Handl uit de 16de eeuw (een aardig mopje, daar niet van). De smoes was dat zoiets vroeger vaker plaatshad, en dat de toevoeging derhalve in de ‘authentieke’ uitvoeringspraktijk paste.

Ongetwijfeld zal dat wel eens gebeurd zijn, maar het is net zo willekeurig als het bij de restauratie van een kathedraal opnieuw aanbrengen van een uitbouwtje (de Kosterij aan de Groningse Martinikerk), dat er honderden jaren her een paar decennia gestaan heeft.

Ook menige geestelijke kleeft deze verwatenheid aan. Ik woonde eens een uitvaart bij die door de dominee-van-dienst werd afgesloten met het bidden van het Onze Vader . Tot aller verwondering voegde hij daar vervolgens een zelfbedachte strofe aan toe. Kennelijk was het woord des Heeren bij nader inzien toch nog voor vervolmaking vatbaar.

menu