Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Poets

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Vele jaren her kwam ik op het pientere plan eens per week een werkster in te huren. Mijn toen nog meestal vrijgezellenhuishouden kon ik natuurlijk best zelf doen, maar door allerlei omstandigheden kwam het er vaak niet van. Het vrijgezellenbestaan kan namelijk zeer tijdrovend zijn.

Sedertdien heb ik flink wat interieurverzorgsters versleten vóór ik mijn huidige goedlachse Kroatische vond, die mij trouwer is dan menige vroegere vriendin. Sommigen konden elders een betere betrekking krijgen, anderen namen mij begrijpelijkerwijs niet helemaal serieus, en liepen er de kantjes van af. Eén staakte heur heilzame arbeid terstond wanneer ik de woning verliet; dat kreeg ik pas in de gaten toen ik haar door de stad zag flaneren, terwijl ze geacht werd de afwas te doen.

De eerste door mij benaderde werkster maakte niet slechts het café schoon waar ik met enige regelmaat verkeerde, maar boende ook de peeskamertjes in de nabijgelegen hoerenbuurt, wat meteen voor een misverstand zorgde. Ik vroeg of ze mijn huis niet eerst even wilde bekijken, met, zoals ik zei, ‘al die vieze boeken’. „Ik ben wel wat gewend,” antwoordde ze.

Een andere, Winnie geheten, oogde nogal aantrekkelijk, en vond vooral het koffiedrinken met mij leuk, zodat ze op den duur meer op visite was dan aan het schrobben. In navolging van een vriendin die haar kat Winnie-de-Poes had gedoopt, noemde ik haar, enigszins ten onrechte dus, Winnie-de-Poets. Al spoedig echter verwierf zij de administratieve leiding over een professioneel schoonmaakbedrijf, en stootte het beneden haar stand geworden baantje af.

Met vertedering denk ik terug aan een oudere vrouw met longemfyseem, die zich, tot het haar lichamelijk niet meer mogelijk was, naar me toe sleepte, op het laatst met zuurstofapparaat en al. Zoals ze verklaarde: „Ik zeg wel ’s tegen mijn vriendinn’n: al moet ik d’r op de knie’n naar toe, ik maak bij die man schoon!”

Eens was ik een maand in Rome geweest, en stelde na terugkeer met toenemende ontzetting vast dat ze alle boeken uit de kast gehaald, afgestoft en verkeerd teruggezet had; niet een beetje verkeerd, maar volgens een onnavolgbaar systeem, waardoor er geen enkele lijn in te ontdekken viel. Na de aanvankelijke verbijstering heeft het maanden geduurd aleer er weer een beetje orde in mijn bibliotheek heerste.

Dat vertelde ik in een televisie-interview, er niet aan denkend dat ze speciaal voor dat programma met de buurvrouw op de bank was gaan zitten. „Dat kan ik ja niet weet’n,” sprak ze nadien gegriefd. Het vergde een omhaal van verontschuldigingen teneinde haar gekwetstheid weg te nemen.

De omgang met mensen die tegen betaling je rotzooi opruimen viel me dikwijls niet gemakkelijk, en het lastigst vond ik het iemand die niet aan de verwachtingen voldeed de laan uit te sturen. Dan nam ik mijn toevlucht tot een laffe smoes – een plotselinge financiële tegenslag of iets dergelijks – want de werkelijke reden durfde ik niet te onthullen.

Ooit stelde ik zelf een werkster dusdanig teleur dat ze vertrok, toen ik niet tegemoet kwam aan haar vurige verlangen naar de voorjaarsschoonmaak: „Wat, nait schoon’n?! Asdat ik dan opzeg!”

menu