Column Jean Pierre Rawie: Potloodslijpsel

Eeuwenlang hebben theologen geworsteld met de vraag of geheelonthouders na hun dood in de hemel komen. Ik acht mij niet bevoegd over deze kwestie te oordelen, al heb ik wel een vermoeden. Het ondubbelzinnigst immers openbaart zich de liefde van de Schepper jegens het werk Zijner handen in de wijn, die het hart des mans verheugt.

Benjamin Franklin (verder vooral bekend als bedenker van de bliksemafleider) ziet een overtuigend godsbewijs in de menselijke anatomie, met name in de plaats van de elleboog. Als die zich dichter bij schouder of pols had bevonden, zou er bij het heffen der roemers een probleem zijn ontstaan, maar hij zit precies goed: er moet wel een God zijn.

Minder vroom vraagt Jorge Luis Borges zich in zijn Soneto del vino af waar en wanneer, onder welk zwijgend gesternte, iemand op de vermetele gedachte gekomen is de blijdschap uit te vinden.

U begrijpt: ik lust wel een glaasje. Sinds ik, onheuglijk lang geleden, de sterkedrank heb afgezworen, is mijn leven onmiskenbaar verrijkt, want wijn, die ik vroeger als weinig doeltreffend versmaadde, biedt veel meer en genuanceerdere vrolijkheid. Bovendien wordt hij maatschappelijk hoger gewaardeerd, en kun je er nog een beetje bij werken.

Maar zoals bij alles op aarde is er een schaduwzijde. Ik ken geen vervelender gezelschap dan dat van wijnkenners, en proeverijen doen mij verzinken in onzegbare zwaarmoedigheid. Ik verafschuw de aanblik van heren op leeftijd die met een uitdrukking van dodelijke ernst op het gelaat een slok langdurig door hun geplunderde mond laten spoelen, alvorens hem vastberaden uit te spugen.

Ook het bijbehorende jargon staat me tegen. Op woorden als ‘textuur’, ‘gepolijst’ of ‘ontwapenend’ zal men mij in dit verband niet betrappen. Eens heb ik iemand horen vertellen dat een bepaalde wijn naar niks smaakte tot-ie in een andersoortig glas geschonken werd; toen was-ie ineens fantastisch. Daar geloof ik niets van (niet dat je uit de fles of een plastic bekertje moet drinken, maar aparte glazen voor wit en rood lijken me voldoende).

Ik ken geen vervelender gezelschap dan dat van wijnkenners

Een vriendin had ter gelegenheid van haar verjaring thuis een wijnproeverij aangericht. Daartoe was een ‘vinologe’ ingevlogen die naderhand slechts even met een echte deskundige getrouwd geweest bleek te zijn, maar dat wisten wij nog niet. Aanvankelijk koesterde niemand argwaan omdat ze haar glas met ogenschijnlijk veel vakkennis scheef hield, en schakeringen in het vocht ontwaarde die ons versteld deden staan.

„Proef het potloodslijpsel in de afdronk”, zei ze bijvoorbeeld. Waar geen van ons wist hoe dat smaakte, gaven we haar volmondig gelijk. Ze spoog – dat had ons een teken moeten zijn - niets uit, en werd geleidelijk zo aangeschoten dat ze haar briefje met notitiën liet slingeren, en wij zagen dat ze potloodslijpsel had bespeurd in de verkeerde wijn.

Ik kende De Jonge Vrouw Met Wie Ik Tegenwoordig Mijn Roes Uitslaap pas kort, en zij oogde inderdaad nog zeer pril, weshalve de connaisseuse meende dat het mijn dochter was, en ongebreideld met me begon te flirten. Toen de werkelijke stand van zaken eenmaal tot haar was doorgedrongen, merkten wij dat ze een kwade dronk had.

Toon reacties

Word wakker met het belangrijkste nieuws uit het Noorden met onze ochtend-nieuwsupdate.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement.