Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Pubers

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Het zijn allang niet meer alleen koks die lange messen dragen. Wekelijks worden we opgeschrikt door berichten over steekpartijen met doden en gewonden.

Het lijkt een nieuwe rage onder vooral jongeren (aangaande de verdachten van zo’n noodlottig afgelopen messentrekkerij dezer dagen in Groningen meldde het radionieuws dat het ‘twee jongens van zeventien en een vrouw van achttien’ betrof).

Het schijnt al niet erg moeilijk te zijn aan een vuurwapen te komen – al zou ik niet weten hoe, maar ik ben zoals u weet een tikje onnozel –, maar een mes is helemaal geen probleem. In ieder huishouden vind je keukengerei waarmee gruwelijke verwondingen veroorzaakt kunnen worden, en indrukwekkender exemplaren zijn zonder vergunning in winkels voor jachtbenodigdheden te koop.

Meestal is het een jeugdige aangelegenheid, maar niet altijd. Er zijn lieden die etwas vom Kinde gerettet hebben, en er ook op gevorderde leeftijd genoegen aan ontlenen nietsvermoedende voorbijgangers overhoop te steken. Soms gieten ze een wereldbeschouwelijk sausje over hun hobby heen, en beweren het op ongelovigen en het decadente westen gemunt te hebben. Men late zich daardoor niet om de tuin leiden: dezulken hebben er gewoon schik in weerloze slachtoffers om zeep te helpen.

Aan die behoefte werd vroeger op verschillende manieren tegemoet gekomen. Tot in de negentiende eeuw duelleerde men naar hartenlust om het minste of geringste (Poesjkin had reeds tientallen tweegevechten achter de rug vóór hij in het laatste duel viel; de nog steeds dikwijls daarover geuite verontwaardiging is derhalve enigszins misplaatst).

Aan vooroorlogse Duitse universiteiten had je zogeheten schlagende Verbindungen , corpora waarvan de daarbij aangesloten geleerden-in-de-dop elkaar met sabels in het gelaat kerfden; de aldus ontstane wonden werden zorgvuldig ingezouten, opdat er eervolle littekens ontstonden.

Indien je geen mes of machete bij je hebt, tel je niet mee in de scene

In Shakespeares Romeo and Juliet loopt iedereen met een degen rond, en die wordt te pas en te onpas getrokken, wat leidt tot één van de mooiste sterfwoorden in de literatuur. Als Mercutio neergestoken is, en Romeo naar de ernst van zijn kwetsuur vraagt, antwoordt hij: ‘ No, ’tis not so deep as a well, nor so wide as a church door, but ’tis enough, ’twill serve.

Het is goed te bedenken dat alle hoofdrolspelers in die tragedie pubers zijn; Juliet is nog geen veertien, ofschoon haar moeder zich er al zorgen over maakt dat ze nog geen man heeft, en Romeo en zijn vrindjes zijn nauwelijks ouder, maar dragen wel dodelijke wapens.

Dat was in onze dagen tot voor kort ongebruikelijk, maar onder invloed van drillrap en dergelijke niet meer. Indien je geen mes of machete bij je hebt, tel je niet mee in de scene , en je dient ook bereid te zijn ze te gebruiken.

Als knaap zat ik bij de padvinderij, wat ik maar matig lollig vond. Het enige aardige was dat een echt mes bij je uitrusting hoorde, waarmee je takjes kon afsnijden, die tegen elkander gewreven moesten worden teneinde het kampvuur aan te steken, wat nooit lukte.

Dat je zo’n mes eveneens voor andere doeleinden kon gebruiken, werd ons niet verteld, en de enkele wijsneus die daarnaar vroeg, kreeg de wind van voren.

menu