Illustratie uit het boek 'Neanderthalers in Noord-Nederland'.

Boekbespreking Neanderthalers in Noord-Nederland (★★★★★): De jacht op de oer-noorderling leest als een spannende avonturenroman

Illustratie uit het boek 'Neanderthalers in Noord-Nederland'.

Vrijdagmiddag werd in het Drents Museum Neanderthalers in Noord-Nederland gepresenteerd, een boek over de zoektocht naar de menselijke bewoning van het Noorden in de Oude Steentijd. Het is een fascinerend relaas geworden, vol leuke weetjes en verrassende inzichten, dat leest als een spannende avonturenroman.

Op 3 september 1881 verscheen in de Nieuwe Provinciale Drentsche en Asser Courant een ingezonden mededeling. Daarin stond dat Hermanus Hartogh Heijs twee vuistbijlen, afkomstig uit Frankrijk en Engeland, had geschonken aan het Provinciaal Museum van Oudheden in Drenthe, de voorloper van het Drents Museum. De wetenschapper uit Assen, tevens bestuurslid van het museum, loofde een premie van 50 gulden uit aan de vinder van de eerste Drentse vuistbijl.

Het krantenberichtje staat afgebeeld in het boek Neanderthalers in Noord-Nederland – Leven aan de rand van de oerwereld , dat gisteren in het Drents Museum werd gepresenteerd. Het laat zien dat de fascinatie voor neanderthalers in het Noorden dateert van ver voor Tjerk Vermaning en de spectaculaire vuistbijlvondsten bij Peest van de laatste jaren. Hartogh Heijs correspondeerde zelfs met Charles Darwin, de geestelijk vader van de evolutietheorie en vertaalde diens The Descent of Man al in 1872 in het Nederlands, enkele maanden na de publicatie ervan in Engeland.

Smakelijke anekdotes

Het zou overigens tot 1960 duren voor er daadwerkelijk een neanderthaler-vuistbijl gevonden werd in Drenthe, bij Anderen. En pas in 2006 ontving de vinder daarvan de beloofde premie. Het boek van de archeologen Marcel Niekus en Evert van Ginkel bevat tal van zulke smakelijke anekdotes over de jacht op de verdwenen mensensoort die ver voor ons, tussen 400.000 en 40.000 jaar geleden, Europa bevolkte tijdens de warmere periodes van de ijstijden.

Het had trouwens niet veel gescheeld of wij zouden de neanderthalers nu gekend hebben als ‘smeermasiensers’, naar Smeermaas in Belgisch Limburg. Bij dat dorp, dat destijds nog tot Nederland behoorde, was tussen 1815 en 1823 bij de aanleg van een weg een menselijke kaak gevonden, naast andere fossiele botten van uitgestorven dieren als olifanten.

De vondst werd gepubliceerd, maar het zou tot 1936 duren voordat men zich realiseerde het om een neanderthalerkaak ging. De eerste gedocumenteerde neanderthalervondst is dus door een Nederlander op (destijds) Nederlands grondgebied gedaan. En niet in een grot in het Duitse Neandertal, waar in 1856 arbeiders een bijna compleet skelet vonden.

Avonturenroman

Niekus en Van Ginkel gaan in de eerste hoofdstukken van hun boek uitgebreid in op de geschiedenis van het archeologische onderzoek naar neanderthalers en de stand van zaken op dit moment. Dat levert niet alleen een boek op dat leest als een avonturenroman, maar biedt ook een mooi inkijkje in het wetenschappelijk bedrijf. Archeologie is namelijk een relatief jonge tak van wetenschap. Dát de botten in het Neandertal door de vinders ervan überhaupt als bijzondere vondsten apart werden gehouden, kwam omdat ze toevallig een gymnasiumleraar kenden die interesse had voor fossiele botten.

Tot 1800 ging bijna iedereen er nog van uit dat de aarde, volgens de Bijbelse tijdrekening, nog geen 6000 jaar oud was. Vreemde bodemvondsten werden geïnterpreteerd als het werk van de duivel of als restanten van mensen van voor de zondvloed. We kunnen nu alleen nog maar gissen naar de hoeveelheid fossiele mensenbotten die in de loop der eeuwen bij de aanleg van wegen of andere werkzaamheden achteloos terzijde zijn geworpen of vernietigd. Pas met Darwins evolutietheorie en de ontwikkeling van de geologie werd duidelijk dat de aarde een veel langere geschiedenis kent.

loading

We weten niet zoveel

Zoals in het boek terecht herhaaldelijk wordt geconstateerd, weten we bijna twee eeuwen later eigenlijk nog niet zoveel. De studie van de Oude Steentijd, een periode die 99,9 procent van de geschiedenis van de menselijke soort omvat, is pas net begonnen, net als de studie naar klimaatontwikkelingen, de ijstijden en landschapsvorming. Bovendien is er maar heel weinig archeologisch materiaal gevonden van onze menselijke voorgangers, behalve dan een overdaad aan stenen werktuigen. Met botresten van zo’n 375 individuen is er al niet veel neanderthalermateriaal beschikbaar, maar organische resten van hun voorgangers zijn er nog veel minder.

Dat maakt de studie naar de evolutie van de menselijke soort hoogst speculatief, al heeft DNA-onderzoek de laatste decennia wel een aantal spectaculaire nieuwe inzichten opgeleverd. Zo weten we nu dat Europeanen 2 tot 2,5 procent neanderthaler-DNA in zich meedragen: neanderthalers en moderne mensen hebben dus seks met elkaar gehad. Maar waarom en hoe de neanderthalers verdwenen zijn, is nog altijd een raadsel. Er is nog heel veel te ontdekken en dat is een van de aspecten die dit boek zo fascinerend maken: de oude-steentijdarcheologie is een verhaal vol verrassende wendingen.

Affaire Tjerk Vermaning

Ook de Affaire Vermaning past daarin. Met de huidige stand van de neanderthaler-kennis zouden de vondsten van Tjerk Vermaning nooit zo serieus zijn genomen als vijftig jaar geleden gebeurde. Want naast veel onheil en wantrouwen tussen amateurarcheologen en professionals, heeft juist deze vervalsingszaak heel veel nieuwe inzichten opgeleverd over vuursteenbewerking en geologische processen. Bovendien kreeg het onderzoek naar de Oude Steentijd in Nederland een enorme stimulans door alle media-aandacht voor de vervalste vondsten en vindplaatsen. Het leidde tot nieuwe vondsten die wel deugden, zodat het totaal in Noord-Nederland inmiddels op meer dan achthonderd stenen artefacten staat.

Tekeningen van Ulco Glimmerveen

Neanderthalers in Noord-Nederland bevat onder meer een beschrijving van twee scènes, die zich mogelijk 50.000 jaar geleden hebben afgespeeld in het beekdal bij de akker in Peest (zei kader), dat toen veel meer reliëf vertoonde dan nu. Geïllustreerd met prachtige tekeningen van Ulco Glimmerveen schetsen de auteurs het leven van een groepje neanderthalers tijdens een winterdag aan de beek (geïnspireerd door de vondst van een jachtkamp op de vindplaats Peest A) en een voorjaarsdag op de rug van het beekdal (corresponderend met de vuursteenwerkplaats die op Peest B is gevonden).

De auteurs stellen nadrukkelijk dat het voorlopige reconstructies zijn en dat over tien jaar, door nieuwe inzichten, misschien wel een heel ander verhaal verteld wordt over de vondsten bij Peest. Zo wordt er in dit boek veelvuldig gereflecteerd op het wetenschappelijk bedrijf, waardoor een heel eerlijk beeld ontstaat van hoe wetenschappelijke kennis tot stand komt. Die kennis ontwikkelt zich voortdurend door nieuwe vondsten, inzichten en theorievorming, en veranderende interpretaties, die niet zelden gekoppeld zijn aan een bepaalde tijdgeest.

Illustratief is wat dat betreft het voorbeeld dat de auteurs aanhalen over de vondst van bloemenstuifmeel bij het skelet van een man in een neanderthalergrot in Irak. Geheel volgens de tijdgeest (het waren de jaren van flower power ) werd door die vondst het oude beeld van neanderthalers als met knotsen zwaaiende wildemannen, in de jaren zeventig van de vorige eeuw vervangen door dat van vredelievende bloemenmensen. Later onderzoek wees uit dat ook die interpretatie niet deugde: het stuifmeel ter plekke was geen grafgift, maar afkomstig van bloemen etende woestijnmuizen.

Helder, mooi en begrijpelijk

Het mooie van dit boek is dat het niet alleen een goed geschreven introductie geeft op de evolutie van de mens, het neanderthaleronderzoek en de belangrijke vindplaats Peest. Ook krijg je spelenderwijs inzicht in de basisbeginselen van de geologie (het ontstaan van stuwwallen, pingoruïnes en dergelijke), een heldere uitleg over de ijstijden en klimaatontwikkelingen, en een mooi, begrijpelijk overzicht van de wirwar aan tradities in vuursteenbewerking. En dat alles wordt fraai geïllustreerd en gelardeerd met korte persoonlijke verhalen van mensen die een rol hebben gespeeld bij de vindplaats Peest.

De term Oude Steentijd geeft het al aan, maar pas na lezing van dit boek realiseer ik me ten volle hoe enorm groot het belang van vuursteen als grondstof is geweest voor de geschiedenis van de mensheid. En van het belang van vuistbijlen, waarvan er in Peest meer dan dertig zijn gevonden, in het bijzonder. De vuistbijl was het eerste werktuig dat de mens ontwierp, zo’n 1,7 miljoen jaar geleden. Althans, het eerste dat de tand des tijds heeft overleefd.

Waarschijnlijk maakten de eerste mensen ook werktuigen van meer vergankelijk materiaal die inmiddels vergaan zijn. Hoe dan ook, vuistbijlen zijn overal ter wereld gebruikt door zowel neanderthalers als hun voorgangers. Gedurende 100.000 generaties behoorden vuistbijlen tot de standaarduitrusting van de mens, tot de laatste generaties neanderthalers, zo’n 45.000 jaar geleden, overstapten op bladspitsen.

En ondertussen weten we nog steeds niet hoe vuistbijlen precies gebruikt werden. Want, zoals de auteurs zich afvragen: Is het wel een bijl? De fascinerende zoektocht naar het leven in de oerwereld is nog lang niet voorbij.

menu