Essay Thomas Verbogt: Stille lente

Schrijver Thomas Verbogt. Foto: Raphael Drent

Langzaam wordt het lente in de iepen hier voor het huis. Het is alsof het nieuwe groen voorzichtig uit de takken kruipt. Een paar dagen is het nauwelijks zichtbaar, maar ineens, altijd ineens, is het onstuitbaar.

Het licht op straat verandert, ook het licht in huis, het wordt door het jonge groen gefilterd. Alleen hierom verheug ik me op deze tijd van het jaar. Nu ook, het groen is er al, stamelend, nog even en dan gaat het popelen. Maar het is wel de stilste lente van mijn leven. Ook de meest zorgelijk stemmende, de gevaarlijkste, maar dat zijn geen woorden die bij lente passen.

De stille lente hoort bij ons veranderende leven. De stilte hoort ook bij mijn laatste boek, Als je de stilte ziet . In de herfst van vorig jaar was het boek klaar en als altijd was ik met een rijtje titels gekomen. In het bedenken van titels voor boeken voor anderen kan ik goed zijn, maar voor de mijne gaat het meestal moeizaam.

Mijn uitgever, Janneke Louman, las die titels, keek naar buiten en schudde haar hoofd. Ze pakte mijn boek erbij dat toen nog geen boek was, maar een stapel papier. Ze bladerde er doelgericht doorheen tot ze bij een pagina kwam die ze eruit trok. Ze wees naar de zin: ,,Je moet je afvragen wat je ziet als je de stilte ziet.’’

Toen zei ze: ,,Dat is je titel: Als je de stilte ziet .” Er zijn niet veel mensen in mijn omgeving die ik altijd gelijk geef. Haar wel, waarschijnlijk omdat ze mijn werk door en door kent.

Haar kamer op de uitgeverij ziet uit op het Vondelpark in Amsterdam waar de zomer uit weg was en veel bomen kaal waren. Ik keek naar de hemel boven dat park, de hemel vol diepgrijze stilte, nog niet zo lang geleden had ik gezegd: winterse stilte. Dat is de stilte uit het hoofdstuk waarin mijn titel staat.

ater komt die stilte nog een keer terug, de tere stilte. ,,Die stilte zit om ons heen, houdt ons voorzichtig vast, het is een stilte die ver van woorden is.’’

Die stilte is er weer, in deze stille lente. Die stilte is er ook omdat er veel niet doorging en niet doorgaat. Zelf zou ik met mijn boek langs boekhandels zijn gereisd met als afsluiting een verblijf van een paar dagen in Vlaanderen. Ook zou ik naar Duitsland zijn gegaan, naar Leipzig om daar de vertaling van een eerdere roman te vieren, Als de winter voorbij is . Het ging allemaal niet door, wat jammer is, maar er zijn ergere dingen.

Dat denk ik deze dagen bij bijna alles: er zijn ergere dingen. En dan bedoel ik wanneer ik denk aan wat niet kán in deze tijd, waar ik niet heen kan, wie ik niet kan zien: er zijn ergere dingen. Het is een open deur, maar soms is een open deur niet bezwaarlijk, want er kan ook frisse wind doorheen. Door een open deur kun je af en toe iets zien wat je niet eerder zag. Als je naar buiten kijkt, naar de stille lente trouwens ook. Dat kan een avontuur zijn. Ik ben ervan overtuigd dat je veel kunt beleven als je op jezelf aangewezen bent.

p de radio hoorde ik een longarts zeggen dat hij vol vechtlust zat, dat hij vaak dacht: Kom Maar Op. De presentator van het programma vroeg of hij hem nog een plezier kon doen met een lied. De longarts vroeg om Mag ik dan bij jou van Claudia de Breij, een lied dat nu anders lijkt dan een jaar of langer geleden toen ik het voor het eerst hoorde.

Zo’n lied gaat dan met me op de loop, mét de woorden van de longarts, Kom Maar Op. Veel mensen mogen in normale tijden bij me schuilen, maar de overheid vindt nu dat het beter is van niet. Ik begrijp de overheid niet altijd, maar nu wel. Je moet bij jezelf schuilen, wat voor velen van ons nieuw is, maar Kom Maar Op. Het is van belang dat je dan wat ruimte in je vrijmaakt, maar dat is te doen.

Hier en daar zeggen deskundigen van de menselijke geest dat we misschien anders uit deze periode tevoorschijn komen. Omdat we al die tijd vooral op onszelf waren aangewezen. We zijn in belangrijke mate wat we doen en wat we willen, hoe we ons manifesteren. Behalve als je in de zorg werkt of een vitaal beroep uitoefent, is er nu minder te doen en valt er minder te willen. Onze herinneringen zijn ook wie we zijn. Het versleten spreekwoord zegt niet voor niets dat er geen heden zonder verleden is. In mijn werk is het verleden vaak ook het heden, omdat herinneringen zo sterk kunnen zijn dat ze opnieuw gebeuren. Dat is wat me altijd fascineert, niet alleen als ik een roman aan het schrijven ben.

n deze periode ben ik om me heen van alles aan het opruimen. In mijn geval is dat vooral mijn werkkamer die tijdens het schrijven van een boek langzaam verandert in een chaos waarmee ik uit de voeten kan tot het boek klaar is. Daarna is het een andere chaos. Eerst probeer ik die te negeren, door bijvoorbeeld te zeggen dat die nu eenmaal bij me hoort en niemand er verder last van heeft. Dat laatste is ook zo, maar plotseling krijg ik er zelf last van zonder dat ik kan zeggen waarom. Ik kan immers nog steeds vinden wat ik nodig heb.

Tijdens het schrijven was die chaos geen chaos, maar een gebeurtenis die hoorde bij de gebeurtenis in mijn hoofd, waar ik de hele tijd nieuwsgierig doorheen dwaalde op zoek naar een weg waarover ik een tijdje verder kon, minstens een paar pagina’s, of die leidde naar een uitzicht dat me betoverde en waarin ik iets zag wat me niet meer losliet.

Natuurlijk is er al een ander boek in me begonnen. Ik ken het nog niet, nou ja, ik zie vaag wat er aan de hand is, maar het moet nog onontkoombaar worden, en dat wordt het vast, want zo gaat het altijd, als ik voel dat het boek ergens in mijn gedachten aan een stamelend bestaan begint, even stamelend als het groen in de iepen voor het huis. Het wil iets met me te maken krijgen en andersom ook, ik wil ook in de buurt komen van wat dat boek is, niet per se waarover het gáát, nee, wat het is. Waarover het gaat, komt later wel.

Dat gebeurt er terwijl ik me met de chaos bezighoud om er het tegendeel van chaos van te maken. Wat kom ik tegen? Boeken, tijdschriften, krantenknipsels, brieven, foto’s. Veel gooi ik weg, van nog meer maak ik stapels en stapeltjes. Graag zou ik me bevrijden van het misverstand dat opruimen neerkomt op het maken van stapels en stapeltjes. Ik weet ook wel dat opruimen iets anders is dan wat je opruimt te verplaatsen, maar ik ben bang iets kwijt te raken, en dan heb ik het uiteraard niet over bezit, maar over schakels in ketens van associaties.

wintig jaar jaar geleden had ik vanuit een huis waar ik toen woonde, een groot deel van de inboedel naar een opslag gebracht. Het huis werd verbouwd en die gang van zaken vroeg om zo veel mogelijk leegte. Toen ik op een ochtend de televisie op het regionale nieuws afstemde, zag ik het opslaggebouw in brand staan. De verslaggever zei: ,,De brandweer laat het pand gecontroleerd afbranden.’’ Dat vond ik een tragische mededeling. Daar heb je het weer, ik schrijf dit op en het is geen twintig jaar geleden dat ik het brandende gebouw op televisie zag. Ik zie het nu, het gebeurt nu, ik denk aan tweeduizend langspeelplaten en tientallen fotoboeken, ik denk aan schilderijen en grafieken, mijn schoolrapporten.

Zeker twee jaar lang kwam het dagelijks in me op, alles wat toen in rook opging. Uiteindelijk miste ik de foto’s het allermeest, zo erg dat ik me veel van die foto’s voor de geest probeerde te halen. Veel foto’s roepen krachtig een herinnering op. De belangrijkste herinneringen zijn er ook wel zonder die foto’s, maar andere herinneringen dan belangrijke kunnen ook belangrijk zijn. Ook zij zingen zacht het lied dat je leven was en is.

Het waren de foto’s die terloops herinneringen wakker maakten, die ik voor me probeerde te zien. Dat deed ik zo lang tot die terloopse herinneringen scherp werden en een klein verhaal vertelden of begonnen te vertellen, aantekeningen in de marge van mijn leven.

at is iets wat nu weer gaande is, nu ik mijn werkkamer herorden en met die werkkamer ook een deel van mijn leven.

Deze dagen zien we onze familie, vrienden en bekenden minder. Ze zijn daarom niet afwezig, nee zeg, anders beseffen we uiteraard niet dat we ze minder of niet zien. We houden contact en daar zijn tegenwoordig veel mogelijkheden voor. Ik vertel wat ik aan het doen ben, van terloopse herinneringen momenten van nu maken. Nu we op onszelf aangewezen zijn, is dat een innige manier van doen, verfrissend ook, inspirerend.

Het gaat dus niet om herinneringen waarin ons leven anders werd, mooier, belangrijker, zinniger, nee, de kleine die nauwelijks kans kregen de tijd te overleven, maar ze zijn er nog wel, ze horen bij ons, ze maken ons óók tot wie we zijn.

Ze kunnen deze stille dagen optillen en licht geven.

#

In de chaos van mijn werkkamer vind ik zojuist een kerstkaart van mijn moeder, de laatste die ze in haar lange leven schreef. Op een van de kerstdagen waren we bij haar en dan gaf ze ons ieder een envelop met een bankbiljet, wat echt niet hoefde, maar ze wilde het zo, en in die envelop zat ook een kaart. Ze leed aan een vorm van reuma, haar handen werkten niet altijd mee met wat ze wilde, de woorden op die laatste kaart zien er breekbaar uit, tastend, ik zie haar trillende hand, ik zie wat ze dacht bij wat ze opschreef.

Die kaart leg ik niet op een stapel, maar in een la waarin ik Belangrijke Papieren bewaar. En ik denk aan mijn moeder. Het meeste wat belangrijk was in het leven van haar en mij, heb ik een plaats gegeven in mijn romans, maar nu probeerde ik aan een herinnering te denken waarvoor ik even mijn best moest doen. Ik probeerde me een foto voor de geest te halen die er niet meer is, ik wéét dat die er ooit was, hoe moet ik er bij in de buurt komen?

En dan is die er weer: de gang van het ouderlijk huis, mijn vader die in de voordeuropening staat met een boodschappentas, mijn moeder die de slappe lach heeft en voorovergebogen staat, met haar handen steun zoekend op haar knieën. Het beeld héb ik, nu reconstructie van de betekenis ervan.

Ik laat de chaos in mijn werkkamer voor wat die is en ga ervoor zitten. Door een paar vragen help ik mezelf op weg. Wanneer was het? Waarom draagt mijn vader een boodschappentas? Bij die laatste vraag merk ik op dat zoiets bij ons thuis ongebruikelijk was, immers een andere tijd. Wannéér dan? Ja, eind jaren 60. De tas is ook duidelijk: mijn vader volgde een kookcursus-voor-mannen. Dat was niet niks, toen. Behalve het bakken van eieren had mijn vader nog nooit iets in de keuken gedaan, wat niet alleen zijn schuld was, maar ook door mijn moeder kwam: ze had het liever niet. Ze was een geëmancipeerde vrouw, maar wilde graag lekker eten.

Op de kookcursus leerde mijn vader eenvoudige gerechten bereiden, zoals boerenkool. Ook iets koloniaals; mij staat een Brits-Indische kerrieschotel bij. Als hij van de cursus terugkwam, wilde hij graag praten over wat hij daar had meegemaakt, maar dat was niet het ergste: de volgende dag ging hij het maken. Mijn moeder zat in de huiskamer zogenaamd verdiept in een boek. Welk boek, welk boek? Iets van Hubert Lampo. Ze keek af en toe giechelig in de richting van de keuken. Die avond gingen we dan met het hele gezin in een restaurant eten. Alle andere avonden na de kookcursus ook. Bij Van der Valk. Mijn moeder koos daarvoor omdat wat daar op tafel kwam, opzienbarend simpel was. Ze zei tegen mijn vader dingen als: ,,Kijk dan, zo kan het ook.” Mijn vader was nog steeds verbijsterd door wat hem in de keuken thuis overkomen was. Hij zat bijna altijd in zijn werkkamer, maar de dagen na de cursus en Van der Valk nog intenser leek het wel.

Ik heb alle tijd deze dagen, dus kan nog even rond zo’n herinnering heen lopen. Wat ik al zei, het is geen herinnering aan een gebeurtenis die voor andere inzichten in mijn leven zorgde. Maar ik sta toch weer in de gang, zie mijn vader met de boodschappentas en hoor mijn moeder lachen. Daarvan word ik ook vrolijk.

Terwijl ik om de herinnering heen loop, vraag ik me af of mijn moeder een liefhebber was van wat Hubert Lampo schreef. Dan zie ik dat de roman getiteld is De komst van Joachim Stiller. Ik hoor haar zeggen dat ze het boek beklemmend vindt. Mijn vader schudt zijn hoofd: ,,Een kletsmeier, die Lampo.” Ken ik het boek ook? Ja! Ik ben degene die het cadeau kreeg. Van een meisje uit onze straat, een paar huizen verder. Ik hoor me nu, in deze stille lente, zacht haar naam uitspreken. Vijftig jaar heb ik haar niet gezien. Hoe gaat het met haar in deze tijd? Is ze ziek? Woont ze in Nederland? Waar in de wereld is het veilig? Ze lijkt me iemand om ver weg te wonen. Waarom denk ik dat?

Een vriend belt op. Om te vragen hoe het gaat. Of ik vaak de deur uitga? Nee toch? Ik vertel hem over de herinnering aan mijn ouders, aan mijn vader en zijn kookcursus. Mijn vriend herinnert zich dat zijn vader ook nooit in de keuken stond – het waren echt andere vaders – maar dat hij op de laatste dag van 1969 een tosti met kaas en ananas had gemaakt. Niemand had in gaten dat hij dat deed, niemand was daarop voorbereid, hij was er ineens de kamer mee in gekomen, terwijl de rest van de familie vrolijk oudejaarsavond aan het voorbereiden was. ,,Voilà, tosti Hawaii”, had die vader gezegd. Ik vraag mijn vriend hoe zijn moeder reageerde. Hij zegt dat ze een beetje schrok, maar toen ontzettend moest lachen. Iedere herinnering aan een lachende moeder is goed. Van harte stellen we dat vast.

Ik ken deze vriend al heel lang, we hebben samen veel meegemaakt, door dik en dun, tegen alle klippen op, maar nog nooit hadden we het gehad over zulke momenten. Ik merk dat ze ons goed doen, dat de stilte in deze lente even tintelt.

Even later ga ik weer verder met het veranderen van de chaos in mijn werkkamer. Ik denk aan een foto waarop die vriend en ik staan, genomen door de vriendin van die vriend. We zijn met ons drieën in Parijs. Ik weet ook waarvoor. We wilden een tentoonstelling zien, maar ik weet niet meer van wie. Volgens mij had het iets met film te maken. Het opmerkelijke van de foto is dat ik enthousiast zwaai naar iemand die niet op de foto staat, het lijkt aan de overkant van de straat. Ik kijk niet alleen enthousiast, maar ook uitermate verrast.

Weer laat ik de chaos de chaos en ga zitten. Dat mag, wat deze dagen gunnen ons die rust. Als je tenminste niet denkt aan wat er in de grote en kleine buitenwereld gebeurt.

Belangrijker dan de vraag om welke tentoonstelling het ging, is naar wie ik zwaaide. Ik wil nog even zoekend nadenken en als ik er niet uitkom, bel of mail ik die vriend weer. Dat moet ik nog doen.

Ik ga even weg uit mijn werkkamer, in het souterrain, en kijk in de keuken aan de voorkant van het huis naar de iepen die op popelen staan, naar de stilte, naar het bijna roerloze landschap van de bedreigde stad. Ik sta te schuilen, ben onzeker over hoe het allemaal moet en gaat de komende tijd. Als alles voorbij is, áls, is het bijna zomer. Al die tijd ben ik op mezelf aangewezen geweest. Wie laat ik dan gaan, naar buiten, het zomerse licht in, naar de zee?

menu