Oorspronkelijk waren we voornemens dit najaar per ijzeren spoortrein naar Rome te gaan, met onderbrekingen op belangwekkende pleisterplaatsen, maar praktische bezwaren stonden zulks in de weg. Bovendien zou ons reisje weliswaar minder stof doen opwaaien dan dat van nóg prominentere landgenoten, maar ik vind niet dat je het verkeerde voorbeeld moet geven.

In stede daarvan brachten we een paar dagen door op Vlieland. Aan boord van de stoomboot, ook op het buitendek, was het kapje verplicht, en allen, wijzelf niet uitgezonderd, namen dat gebod gedwee in acht (op het eiland zag ik zelfs gemaskerde mensen op het strand). We zijn een gezeglijk volk, en toegegeven, er zijn er die er met zo’n muilkorf esthetisch bepaald op vooruitgaan.

Over die mombakkesen wil ik nog één keer iets zeggen, waarna ik er voor eeuwig over zwijgen zal. Iets kan niet de ene dag zinloos, en daags nadien van levensbelang zijn, dus ofwel de over ons gestelden hebben ons gedurende meer dan een halfjaar op ten hemel schreiende wijze misleid, of we worden nú belazerd; tertium non datur. Zo, dat is eruit.

Het was prachtig herfstweder voor bos- en strandwandelingen: ‘zon en wolken die elkaar afwisselden’, en af en toe een buitje, zoals dat hoort aan zee. Onaangenaam dat er nergens onderweg iets genuttigd kon worden, maar we hadden een van ieder gerief voorzien optrekje in het woud, en alles went.

De over ons gestelden hebben ons gedurende meer dan een halfjaar op ten hemel schreiende wijze misleid, of we worden nú belazerd

Tot onze verrukking meldde zich reeds de eerste avond een luid miauwend katertje aan de deur, door ons Bonus gedoopt, dat zich terstond op schoot nestelde, zijn gunsten gelijkelijk over mij en mijn gezellin verdelend (begrijpelijkerwijs willen we dit overspel jegens onze Stadse poezen liever stilhouden).

Een hoogtepunt van ons verblijf vormde een visite aan het kerkhof. Er liggen, naast de gebruikelijke geallieerde oorlogshelden en door de woeste baren verzwolgen en weer prijsgegeven vissers, mensen die, van heinde en verre komende, hun hart aan Vlieland verloren hadden, waarvan vele grafstenen getuigen. Ik zag zelfs een zerk waarop te lezen stond dat de onderliggende gestorvene rustte 'in de armen van het eiland', waar je toch eerder 'de Heiland' zou verwachten.

Mijn pelgrimage gold evenwel de groeve van Theo Sontrop, de dichter en uitgever die zijn nadagen op Vlieland gesleten had. Daarmee verbaasde hij zijn vrienden, omdat hij altijd bezworen had zijn levensavond in Zuid-Frankrijk te zullen doorbrengen. De tegenwerpingen dat er op die Wadden niks te beleven zou zijn, pareerde hij met de mededeling dat hij bij voorkomende verveling ‘gewoon even naar Groningen kon gaan om Jean Pierre te bezoeken’. Kennelijk wist hij nog niet dat Groningen vanuit zijn toenmalige woonplaats Amsterdam aanmerkelijk sneller te bereiken was dan vanaf Vlieland.

Als intellectueel en opvallend klein van stuk stond hij daar weldra bekend als het 'boekenmannetje', want het leven in zo’n eilandgemeenschap is nog beklemmender dan in een dorp. Niettemin voelde hij zich volmaakt senang te midden van de ongeletterde inboorlingen, en zwom hij dagelijks in zee. Hij stierf in de gezien zijn leefwijze gezegende ouderdom van 86 jaar, met als gedenkwaardige laatste woorden: ,,Wat is doodgaan leuk!”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur