Erfgoed- en streektaalorganisaties roepen inwoners van Drenthe, Groningen, Gelderland, Overijssel en de Stellingwerven op om ‘de Nedersaks naar boven te halen’. Verslaggever Joep van Ruiten probeerde het.

Met mijn schoonmoeder mag ik graag over de aard van mensen praten, hoe ze zijn en hoe ze waren, vroeger en nu. Laatst vroeg ik haar naar het verschil tussen Drenten en westerlingen. Zij komt uit Weiteveen bij de grens met Duitsland, ik uit Roelofarendsveen niet ver van Amsterdam. ,,Een Drent is in Drenthe geboren. Jij bent niet in Drenthe geboren, dus je bent geen Drent”, sprak ze.

Ik wierp tegen dat ik al meer jaren in Drenthe woon dan waar dan ook. Op basis daarvan zou ik mij toch een Drent mogen noemen. Ik vertelde ook, dat als ik weer eens in het Westen was, in Den Haag of Amsterdam, ik soms als ‘Drent’ wordt aangeduid. Bijvoorbeeld als ik mij tijdens een vergadering op de vlakte houdt.

,,Westerlingen hebben altijd de mond los”, reageerde mijn schoonmoeder. ,,Dat is mij vaker opgevallen. Als een clubje mensen bij elkaar staat en iemand heeft het hoogste woord, dan is dat meestal iemand vanuit buitenaf. Die willen vooraan staan. Mensen uit Drenthe zijn stiller, afwachtend. Een westerling denkt meestal dat-ie het beter weet.”

Zou ik langzaam in een Drent kunnen veranderen, vroeg ik. ,,Dat gaat niet”, zei mijn schoonmoeder. Ze keek alsof ik haar iets wilde afpakken. ,,Jouw ouders komen hier niet vandaan. Je bent hier niet geboren. Je bent hier niet opgegroeid. Je hebt een ander karakter. Eens een westerling, altijd een westerling.”

loading

Gezamenlijk initiatief in opdracht van de provincies

Een paar dagen later ontving ik van twee kanten hetzelfde persbericht. Het eerste was verstuurd door het Huus van de Taol in Beilen, het tweede door het Centrum Groninger Taal en Cultuur in Groningen. De opsteller, zag ik aan het briefpapier, was een marketingbureau uit Doetinchem. Een zin maakte melding van een gezamenlijk initiatief ‘in opdracht van de provincies’.

In het persbericht werd de lancering van een website aangekondigd: nedersaksisch.com . ‘Platform Nedersaksisch, waar je je kunt laten inspireren, netwerken, eigen Nedersaksische projecten kunt promoten, expertise op kunt vragen en de samenwerking kunt zoeken bij het ontplooien van nieuwe initiatieven die met het Nedersaksisch te maken hebben.’

Over het Nedersaksisch werd geschreven dat het een unieke taal is, die in verschillende varianten van Groningen tot Twente en van de Stellingwerven tot de Achterhoek wordt gesproken en het Noorden met het Oosten van ons land verbindt. De laatste zinnen van het bericht: ‘Zo omarmen we samen het Nedersaksisch oergevoel, dragen dat met trots uit en geven het een eigentijdse plek binnen de samenleving. Haal jij ook de Nedersaks in jezelf naar boven?’

Denkend dat een inwoner van Drenthe, ook al is hij ‘slechts import’, misschien een Nedersaks zou kunnen zijn, besloot ik het te proberen.

Typische zaken voor Nedersaksisch Noordoost-Nederland

Om te beginnen schreef ik een aantal begrippen op, zaken die mij typisch leken voor Nedersaksisch Noordoost-Nederland. Zoals een coulisselandschap met een bepaald type boerderij, een hallenhuis met stookhok. Zoals hunebedden, klootschieten en kauwen op droge worst bij een beugelfles Grolsch-bier in zuipketen. Zoals De zwarte cross, de theatervoorstelling Groot Hunzeland en de speelfilm De beentjes van Sint-Hildegard . Zoals piratenmuziek, boerenrock en liedjes van Daniël Lohues over de Saksische vorst Widukind en witte wieven.

loading

Bij het woord oergevoel dacht ik aan een campagne ter bevordering van het toerisme, waarbij Drenthe sinds 2017 wordt aangeprezen als dé oerprovincie van Nederland : ‘Een plek waar het nog stil is en je tot rust kunt komen in de natuur en onder de sterrenhemel. Terug naar de basis en jezelf.’

Ik moest denken aan de ondertekening in oktober 2018 in Zwolle van een convenant tussen het Rijk en bestuurders in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en delen van Friesland. Daarin werd het Nedersaksisch officieel erkend als streektaa l en verrijking voor het Nederlands cultureel erfgoed. Sindsdien mogen ‘betrokken provincies en gemeenten een eigen beleid voor het Nedersaksisch voeren’.

Ook voerde ik het woord ‘Nedersaks’ in bij Google. Het leverde 3700 hits op, waarvan de meeste naar de streektaal verwezen. De bovenste treffer meldde: ‘Nedersaks m. (demoniem) een inwoner van Nedersaksen, of iemand afkomstig uit Nedersaksen.’ Na het invoeren van het woord Nedersaksen werd ik naar de gelijknamige deelstaat in Duitsland gestuurd.

Uniek erfgoed met gemeenschappelijke waarden

Bestaan in Nederland mensen die zich openlijk Nedersaks noemen? Volgens een manifest op Platform Nedersaksisch wel. Het opent met woorden van muzikant Hendrik-Jan Bökkers: ‘Wie bint allemaol naobers/ Met hetzelfde verhaal/ Dezelfde historie/ En dezelfde taal/ In het westen de Randstad/ In het oosten de Pruus/ An disse kant van de Iessel/ Door steet mien huus.’

Ik nam het manifest op Platform Nedersaksisch nog eens door en las: ‘Onze Nedersaksische cultuur is een uniek erfgoed met gemeenschappelijke waarden in een prachtige regio. En daar zijn we trots op! We vinden het belangrijk dat de Nedersaksische kernwaarden op een moderne manier worden vertaald en doorgegeven aan volgende generaties.’

Nieuwsgierig naar de totstandkoming van het manifest, mailde en belde ik naar provincie- en gemeentehuizen. Zo kwam ik te weten dat zowel platform, website als manifest voortvloeien uit de ondertekening van het convenant in 2018. Overijssel gaf de aanzet, daarna nam Gelderland het over. Vijf erfgoed- en streektaalorganisaties in Noordoost-Nederland dragen het initiatief.

Nieuwsgierig naar de Nedersaksische kernwaarden volgde ik op Youtube het webinar Mooi te kiek’n, een initiatief van de provincie Overijssel ter gelegenheid van de jaarlijkse dialectmaand in maart. In beeld verscheen Bert Beun, bestuursvoorzitter van onderwijsinstelling Deltion waar studenten in de zorg worden gestimuleerd Nedersaksisch te gebruiken om patiënten beter te kunnen helpen.

,,Niet alleen het doorgeven van de Nedersaksische taal is van belang, maar alle cultuuraspecten die erbij horen: naoberschap, ethos qua werken”, vertelde Beun. ,,Ik denk dat het van belang is dat je trots bent op je eigen cultuur. Er is een mooie uitspraak: Vaak ben je te bange. Dat geldt hier ook: kom er maar voor uit dat je Nedersaksisch bent.”

Daarna verscheen Harry Tupan, directeur van het Drents Museum. ,,Een heel oud museum, sinds 1854 op het zand, gelegen aan de brink”, sprak Tupan. ,,Het typeert de Nedersaks dat hij een grote mate van bescheidenheid kent, een behoorlijke zelfanalyse heeft en er staat op het moment dat het echt ergens om gaat. Dan staat hij op en maakt hij deel uit van het grotere geheel.”

Olaf Vos, docent Gronings en muzikant vulde aan, als enige in het Nedersaksisch, in zijn geval in het Gronings: ,,Wat typisch Nedersaksisch is: ‘Wie goan recht deur zee en binnen eerlieks as gold. Wie binnen messchain wel ais stoens, nait aaltied even makkelk, mor astoe ainmoal bie ons bist en je zit in ons haart, din komt alles goud.’

Ik noteerde de kernwaarden op een briefje: naberschap, arbeidsethos, trots, zand, bescheidenheid, zelfanalyse, recht door zee, goudeerlijk, een beetje stuurs en een eigen taal die aan verandering onderhevig is. Een voor een ging ik na of ze op mij van toepassing konden zijn. Door mijn eerlijkheid werd het rijtje flink korter.

Frank Westerman, een man van het zand

In zijn essay Het verdriet van Drenthe probeert Frank Westerman zich tot zijn geboorteprovincie Drenthe te verhouden. ‘Ben ik een Drent?’ vraagt hij zich af. Vervolgens vertelt hij onder meer welke invloed het landschap – grond en bodem – op mentaliteit en gebruiken kan uitoefenen. Hij citeert een oude turfsteker: ‘Ik ben geen Duitser en geen Nederlander. Die bestaan niet. Ik ben een Saks, een man van het zand.’

Als een Saks op het zand woont, of er vandaan komt, hoe zit dat dan met de provincie Groningen, dat voor het meest vruchtbare deel uit klei bestaat? Hoe zit het met de Veenkoloniën, die zowel Oost-Groningen als Zuidoost-Drenthe omvatten? Hoe zit het met de veengronden die Almelo met Coevorden en Noord-Drenthe met Friesland verbinden?

loading

Als er zoiets bestaat als een Saks of Nedersaks, dan moet dat te maken hebben met zijn of haar taal. Ik kan het Nedersaksisch lezen, maar niet spreken. Ik vind het Drents – en dus het Nedersaksisch – zo mooi dat ik het niet wil verpesten. Soms gebruik ik een paar woorden. Op straat in Drenthe groet ik mensen met ‘moi’. Een van mijn favoriete zegswijzen is ‘We moeten elkaor gien zwienen om de keet jagen’.

Harrie Scholtmeijer had tijdens het webinar Mooi te kiek’n uitleg gegeven over de geschiedenis en ontwikkeling van het Nedersaksisch. Om te beginnen vertelde hij dat dialecten veranderen, ook door migratie. En dat het Nedersaksisch vooral is veranderd sinds de invoering van het algemeen beschaafd Nederlands in het midden van de negentiende eeuw.

Een fascinerend deel van Scholtmeijers minicollege ging over de gewoonte in het Nedersaksisch om iets afvlakkend uit te drukken. Bij gebrek aan goed Nederlands: als understatement. Als voorbeeld werd de uitdrukking ‘t kon minder genoemd, terwijl bedoeld wordt dat het juist heel goed is. Of was. Ander voorbeeld bleek ‘maj je hier wel wezen’, als vraag of je wel naar de zin hebt.

Ik vroeg Scholtmeijer naar het waarom van dit gebruik. Zou het iets met de veronderstelde bescheidenheid te maken hebben? Hij bevestigde de regionaliteit van dit soort uitdrukkingen, maar wilde niet van een verband met bescheidenheid weten. ,,Een voorgaande generatie zou dan lustig gaan speculeren over de volksaard of zoiets, maar dat is in de huidige wetenschap niet gebruikelijk.”

Trots kan doorschieten naar ijdelheid en overmoed

Volksaard mag dan wetenschappelijk discutabel zijn, bestuurders weten er raad mee. Dat blijkt niet alleen uit het arbeidsethos van Ben Beun en de bescheidenheid van Harry Tupan. Tijdens toespraken stellen burgemeesters, wethouders, gedeputeerden en commissarissen van de koning in Noordoost-Nederland opvallend vaak dat ‘wij best trotser mogen zijn’.

Trots kan een positief gevoel teweegbrengen, maar het kan ook doorschieten naar ijdelheid en overmoed. Belangrijker is: waar komt het idee vandaan dat de bevolking van Noordoost-Nederland minder trots zou zijn dan die in, zeg, Utrecht? En vooral: waarom zou iemand die tevreden is trots willen zijn?

loading

Wie woorden als ‘trots’ en ‘wij’ en ‘ons’ in de mond neemt, wil iets anders bereiken dan reeds is bereikt. Dat bleek afgelopen jaar tijdens de persconferenties van het kabinet in de strijd tegen de coronapandemie waarbij premier Rutte sprak van Nederlanders als ‘volwassen, trotse mensen’ en een ‘nuchter volkje’. In de hoop massale steun te vergaren voor zijn beleid, trok minister Hugo de Jonge een vergelijking met ‘onze’ strijd tegen het water: ,,Vandaag zijn wij samen die dijk die de tweede golf buiten de deur kan houden.”

In het geval van De Jonge is het gebruik van een dergelijk beeld niet vreemd. Hij komt uit Bruinisse, Zeeland, provincie van de Watersnood en Luctor et emergo. Maar voor wie in Gelderland, Overijssel of Drenthe woont, is het spreken in metaforen van overstromingen merkwaardig. Daar is helemaal geen zee, daar wordt het steeds droger. Waarom niet ‘Allent met naoberschap krijgen we corona er onder’?

Wat weten we eigenlijk van de gezamenlijke geschiedenis van Drenthe, Groningen, Overijssel en Gelderland? Waar hebben mensen in deze provincies tegen of voor gestreden? Kenden zij zoiets als de VOC-mentaliteit en slavenhandel? Weet iemand waarom de tachtigjarige oorlog in Noordoost-Nederland langer duurde dan in Holland? Bestaan er nog kinderen die op de blinde kaart Veenhuizen kunnen aanwijzen, om de dichter Willem Wilmink te citeren?

loading

Strijd om aandacht en geld

Als in Noordoost-Nederland ergens tegen gestreden werd – en wordt – dan is het om aandacht en geld. Zoals voor de aanleg van een klein stukje spoor tussen Emmen en Stadskanaal zodat een trein kan gaan rijden tussen Enschede en Groningen: de Nedersaksenlijn . Veelzeggend is de tijd die het heeft geduurd voor ‘Den Haag’ bereid bleek het Nedersaksisch als volwaardige streektaal te erkennen: veertig jaar.

Het ligt voor de hand om nu over de kloof tussen de provincie en de Randstad te beginnen. In het debat over dit thema wordt vaak gesteld dat die kloof niet bestaat, omdat er niet zoiets is als ‘de provincie’ en ‘de randstad’. De kloof in het Westen tussen, zeg, Roelofarendsveen en het nabijgelegen Amsterdam, is net zo groot als de kloof in het Noorden tussen Weiteveen en Groningen. Toch sluimert soms onvrede.

Dat blijkt uit het activisme van het Farmers Defence Force , dat zetelt in Assen. Dat blijkt uit de verkiezing van de Boer Burger Beweging in de Tweede Kamer; oprichter en lijsttrekker Caroline van der Plas komt uit Deventer. Het blijkt ook uit de ophef rond de verdeling van cultuursubsidies, waarbij het merendeel van het beschikbare overheidsgeld in Amsterdam blijft hangen en Overijssel en Drenthe nagenoeg worden overgeslagen.

Wat te denken toen de vuurwerkbranche eind vorig jaar na het vuurwerkverbod de Nedersaksische traditie van het carbidschieten wilde confisqueren? Of van de reactie op protesten in het Westen over smog- en luchtvervuiling door het in brand steken van paasbulten? ,, We laten ons deze mooie volkstraditie niet afnemen omdat de Randstad-elite zich erin mengt ”, reageerde een wethouder uit Coevorden.

Nedersaksisch tijdschrift voor kinderen Wiesneus

Het manifest van het Platform Nedersaksisch stelt dat ‘de Nedersaksische cultuur ons verbindt over grenzen van provincies en landen heen’. Ook is sprake van ‘het weefsel van een nieuwe Wij’. Wie die ‘ons’ en ‘nieuwe Wij’ vormen, wordt in het midden gelaten, vermoedelijk om niemand uit te sluiten en voor het hoofd te stoten, ook westerlingen niet.

Volgens Renate Snoeijing van streektaalorganisatie Huus van de Taol staat het Nedersaksisch voor gezamenlijkheid en verbinding. In dezelfde geest ontwikkelde haar Huus van de Taol eerder een Nedersaksisch tijdschrift voor kinderen in het hele Nedersaksisch taalgebied, Wiesneus . En werd twee jaar geleden een Nedersakische taal-app gepresenteerd, Woordwies.

,,Grenzen die op de kaart zijn getekend, gaan soms ook in hoofden zitten, terwijl ze in de praktijk helemaal niet hoeven te bestaan”, vertelde Snoeijing. ,,Kijk naar Duitsland, ook daar kun je met het Nedersaksisch een heel eind komen. Ook daar proberen we tot samenwerking te komen.”

loading

In mijn hoofd veranderde het beeld van de Nedersaks. Het was niet iemand die met een uitgestoken hand naar het Westen keek, maar een ondernemende Nedersaksisch pratende figuur die de blik oostwaarts richtte, naar die andere buren. Ik moest denken aan het in streektaalkringen vaak vertelde verhaal dat iemand die Nedersaksisch spreekt zich met zijn moederstaal tot in Polen kan redden.

De kloof als scheur, omkering en nieuw verbond.

Onderliggend gemeenschappelijk gevoel

Ik confronteerde Snoeijing met het idee dat er een nieuwe identiteit wordt gecreëerd, een Nedersaksische. ,,Ik denk dat die identiteit er gewoon ís”, reageerde ze. ,,Uiteindelijk is het een onderliggend gemeenschappelijk gevoel. In Drenthe benoemen we zaken die bij ons horen, zoals de taal, het naoberschap, het harde werken. Diezelfde dingen horen net zo goed bij Groningen of Twente, maar kom je niet in het Westen tegen.”

Ik waagde het te betwijfelen. Ik ken in Nederland geen provincie of regio waar niet wordt beweerd dat de bevolking hard werkt of hard moet werken. Over de relatief hoge werkloosheid en de economische achterstand in de Veenkoloniën zweeg ik. Wat betreft naoberschap dacht ik aan begrippen als mienskip in Friesland en ubuntu in Zuid-Afrika. Allemaal van hetzelfde laken een pak. In essentie is het barmhartigheid.

loading

Het gaat om het besef dat je deel uit maakt van een groter geheel, zei Snoeijing. ,,Als we het in Nederland over identiteit, taal en cultuur hebben, kijken we vaak naar Friesland. Die provincie telt 650.000 inwoners. Het Nedersaksisch gebied in Nederland telt 1,7 miljoen sprekers. Toch hebben we het gevoel dat we de underdog zijn. Met ‘haal de Nedersaks in je naar boven’ bedoelen we dat je het mag weten en laten zien.”

Schoonmoeder is het er toch niet mee eens

Met deze wetenschap keerde ik terug naar mijn schoonmoeder. Ik vertelde haar over het Platform Nedersaksisch en het streven om Groningers, Drenthe, Overijssel, Gelderland en bewoners van de Stellingwerven tot elkaar te brengen. Die gebieden lijken op elkaar, die mensen lijken op elkaar, hield ik haar voor. Ze spreken dezelfde taal en hebben dezelfde mentaliteit.

Mijn schoonmoeder haalde de schouders op. ,,Ik ben het er niet mee eens”, zei ze. ,,Het Drentse plat praten verschilt enorm van het Groningse plat praten. Als iemand echt Gronings tegen mij spreekt, versta ik er niets van. En als het om karakter gaat, is het verschil tussen een Drent en een Groninger net zo groot als het verschil tussen een Drent en een Fries.”

Ik gooide nog wat wetenswaardigheden over Tukkers, Achterhoekers en Sallanders in de strijd en vergat daarbij de bevolking van de Veluwe en Urk te noemen – ook daar wordt Nedersaksisch gesproken. Mijn schoonmoeder hield voet bij stuk: ,,Die horen niet bij elkaar. Daar zitten hemelsbrede verschillen tussen. Ik heb er geen verstand van, maar dat weet ik wel.”

Het woord Nedersaks zei haar helemaal niets. ,,Maar samenwerken, dat is altijd goed.”

Tot slot vroeg ik haar opnieuw of ik Drent kon worden. Of ik het misschien zou kunnen leren. ,,Nee. Daarvoor ben jij te veel westerling”, zei ze. ,,Je mag hier nog zo lang wonen, maar spreken als een Drent, doen als een Drent… Nee. Ze zullen altijd horen dat je uit het westen komt.”

In haar stem meende ik iets van medelijden te bespeuren.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
Cultuur