Jean Pierre Rawie.

Column van Jean Pierre Rawie: I, Claudius

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Driek van Wissen en ik stelden eens een poëziekalender samen, en ontdekten dat je niet alleen Sinterklaas, Konings- of Koninginnedag en Gronings Ontzet hebt, maar dat vrijwel iedere dag aan een thema gewijd is: Secretaressedag, Dag van de Duitse Taal, Dag van de Grote Schoonmaak, je kunt het zo gek niet bedenken.

(De Japanse Nationale Feestdag, 11 februari, werd door ons toepasselijk met een haiku geëerd, maar de datum ervóór bleek bij uitzondering onderwerploos. Wij vermeldden derhalve op 10 februari: ‘Géén Japanse Nationale Feestdag’ en plaatsten het gedicht geen haiku van Ilja Leonard Pfeijffer, luidende: ‘vlinder in de trein / mijn god dacht ik als daar maar / geen haiku van komt’. Ilja schreef toen nog ‘modern’, zonder leestekens en hoofdletters; inmiddels heeft hij door dat toegankelijkere poëzie een veel groter lezerspubliek en meer prijzen oplevert.)

Niet alleen is elke dag op die manier in zekere zin een feestdag, ook weken en maanden staan in het teken van het één of ander: Week van de Lingerie, Week van de Werkstress, en Oktober, de Maand van de Geschiedenis.

Nu is geschiedenis mijn hartstocht. Men kan me geen groter genoegen doen dan met een nieuwe biografie van een gestorven grootheid. Dat hoeft geen voorbeeldig mens te zijn (die zijn dun gezaaid, zowel in het verleden als thans); het mag best een schurk wezen, al is de ene schurk aantrekkelijker dan de ander. Van een levensbeschrijving van Stalin kun je behoorlijk in de put raken.

Het voordeel van historische werken boven bijvoorbeeld de krant is dat je kunt doorbladeren om te zien hoe de dingen aflopen. In de media kom je van veel nieuwsfeiten nooit het vervolg te weten; dat is om dol te worden. Natuurlijk zijn er ook raadselen in de geschiedenis. Wat is er gebeurd met de prinsjes in de Tower? Is paus Johannes Paulus I vermoord? Was koning Willem III wel de vader van Wilhelmina? Maar over dergelijke vraagstukken kunnen dan weer nieuwe boeken geschreven worden.

In mijn omgeving vindt iemand geschiedenis alleen te pruimen in historische romans. Dat genre boeit mij daarentegen al jaren niet meer, al heb ik sommige geschiedkundige hervertellingen eertijds verslonden; de Claudius-romans van Robert Graves ( I, Claudius en Claudius the God ) maakten een onuitwisbare indruk op me. Toen ik enige jaren her in het ziekenhuis belandde, heb ik ze weer eens met genoegen gelezen, maar na wat we maar mijn genezing zullen noemen, was ik meteen weer terug bij de non-fictie.

In de media kom je van veel nieuwsfeiten nooit het vervolg te weten; dat is om dol te worden

Toch is ook de objectiviteit van historische studiën slechts schijn. Aan de feiten valt niet veel te veranderen, maar de interpretatie laat de auteur een aanzienlijke vrijheid. Zo werd het einde van de Romeinse republiek in de jaren 30 vergeleken met de opkomst van Mussolini, terwijl diezelfde periode in recente publicaties aan de Verenigde Staten doet denken. Tacitus beschrijft Tiberius, maar hij bedoelt Domitianus. Pressers in de oorlog geschreven biografie van Napoleon gaat eigenlijk over Hitler.

Bij genoemde herlezing zag ik overigens pas dat de oude Romeinen in die boeken van Graves zich gedragen als Britse empire builders , die allemaal op Eton gezeten hebben.

menu