Necrologie Nikolaus Harnoncourt: Altijd terug naar de bron

Nikolaus Harnoncourt, die zaterdag op 86-jarige leeftijd overleed, was een van de invloedrijkste musici van de laatste vijftig jaar. De oudemuziekrevolutie die hij ontketende, startte in Nederland in Groningen.

Op 5 december 2015 liet Nikolaus Harnoncourt via de kranten zijn publiek ('Liebes Publikum') en de wereld in een ontroerend handgeschreven briefje weten dat hij nooit meer zou dirigeren. ,,Mijn lichamelijke krachten gebieden af te zien van verdere plannen’’, zei hij. Zaterdag is de dirigent overleden.

De muziekwereld rouwt, want Harnoncourt was een van de belangrijkste en meest invloedrijke musici van de laatste vijftig jaar. Wie dezer dagen een uitvoering van de Matthäus Passion bijwoont, zal het zich niet realiseren, maar zonder het pionierswerk van Harnoncourt zou de muziek van Bach tegenwoordig beslist anders hebben geklonken. Harnoncourts onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van de oude muziek in het algemeen en die van Bach in het bijzonder, heeft de concertpraktijk diepgaand beïnvloed.

'Authentieke uitvoeringspraktijk'

Het is niet overdreven om te stellen dat ook de smaak van het publiek zich zonder Harnoncourt anders ontwikkeld zou hebben. Door zijn op bestudering van de handschriften gebaseerde interpretaties ontstond de zogenoemde ‘authentieke uitvoeringspraktijk’, die al spoedig door geestverwanten als Gustav Leonhardt, Frans Brüggen, Ton Koopman, John Eliot Gardiner, Roger Norrington, Philippe Herreweghe, Jos van Immerseel en vele anderen brede weerklank vonden bij het publiek.

Harnoncourt vond dat woord authentiek trouwens onzinnig, omdat hij als geen ander wist dat je als dirigent of musicus nooit kon claimen dat je Bachs muziek precies zo kon laten klinken als hij het zelf had gedaan of had bedoeld, zelfs niet als je op violen met darmsnaren in plaats van stalen snaren speelde of andere instrumenten uit Bachs tijd gebruikte. Je kon hoogstens hopen dat je een beetje in de buurt kwam. Later werd de term vervangen door ‘historische uitvoeringspraktijk’.

Ook daar haalde Harnoncourt de schouders over op. Hij was minder streng in de leer dan sommigen van zijn navolgers en leerlingen. ,,Vaak lijk ik verkeerd begrepen te worden’’, zei hij in een interview. ,,Zeker in de begintijd. Voor mij is het instrument altijd een stuk gereedschap en geen religie.’’ Om die reden had hij er nooit problemen mee te werken met zowel barokorkesten als moderne orkesten.

Kleurloosheid van de klank

Dat barokmuziek beter klinkt op instrumenten uit de tijd waarin de muziek gecomponeerd werd, stond voor Harnoncourt echter als een paal boven water. ,,Met de instrumenten uit die tijd kunnen wij die muziek beter spelen’’, zei hij in 1970 in een interview met Nieuwsblad van het Noorden. ,,Onze musici spelen ook op moderne instrumenten, maar zijn steeds weer bitter teleurgesteld over de kleurloosheid van de klank, het slechte evenwicht en verschillende technische moeilijkheden die de moderne instrumenten met zich meebrengen bij het spelen van barokmuziek. Met Concentus Musicus Wien hebben we door de oude instrumenten een werk als Bachs Matthäus Passion opnieuw leren kennen.’’

Musiceren was voor Harnoncourt een kwestie van compromissen, 'maar er moet wel een ideaal zijn, ook al is dat onhaalbaar’. Essentieel bij zijn benadering bleef bestudering van de manuscripten zelf, met eigen ogen. Door het handschrift van de componisten te bekijken, kwamen altijd dingen boven water die je in geen enkele gedrukte partituur terugvond. Daarom wantrouwde hij elke uitgegeven partituur. Als er een conflict ontstond tussen de partituur en de manier waarop hij meende dat het moest, volgde hij in eerste instantie zijn intuïtie, totdat bleek dat hij ongelijk had, zei hij.

Keizer Leopold II

Johannes Nicolaus, Graf de la Fontaine und d'Harnoncourt-Unverzagt, zoals Nikolaus Harnoncourt voluit heette, werd geboren in Berlijn. Genealogisch loopt er van hem een directe lijn naar keizer Leopold II . Hij groeide op in Graz en studeerde muziek in Wenen. Van 1952 tot 1969 was hij cellist in de Wiener Symphoniker, waar hij speelde onder leiding van grootheden als Erich Kleiber, Herbert von Karajan, Eugene Ormandy and Georg Szell.

Al tijdens zijn studie aan de Weense Musikacademie struinde hij kerken en kloosters af, op zoek naar oude muziekinstrumenten uit de tijd van Bach. In het begin waren die soms erbarmelijk van kwaliteit, maar desondanks gaven de oude instrumenten een specifieke klank aan het notenbeeld waardoor de muziek veel meer tot spreken kwam, ontdekte Harnoncourt. Later verzamelde hij steeds meer en betere oude instrumenten, waarbij hij aanvankelijk flink werd dwarsgezeten door musea die op veilingen van historische instrumenten kapitaalkrachtige concurrenten waren.

In 1957 richtte Harnoncourt met zijn vrouw Alice zijn eigen barokorkest op, Concentus Musicus Wien, waarin hij viola da gamba speelde en een groeiende reputatie verwierf met een andere kijk op Purcell, Bach, Rameau, Mozart en Beethoven. Het leidde tot een fundamentele revolutie in de uitvoering van oude muziek en ook tot ressentiment bij beroemde traditionele dirigenten. Karajan, die er nota bene voor had gezorgd dat Harnoncourt in de Wiener Symphoniker kwam, legde de ideeën achter de ‘authentieke uitvoeringspraktijk’ uit als kritiek op de manier waarop híj het deed en zorgde er als baas van de Salzburger Festspiele voor dat Harnoncourt daar twintig jaar niet binnen kwam.

Groningse Bachvereniging

Maar het tij was niet te keren. In 1970 begon Harnoncourt aan een dirigentencarrière. Met Monteverdi's Il rittorno d'Ulisse in patria in Wenen en in La Scala en met spraakmakende Mozarts in Graz, waar hij een zomerfestival leidde, zette hij zichzelf op de kaart en begon hij te zagen aan de stoelpoten van de grote maestro's. In datzelfde jaar kwam Harnoncourt naar Groningen, waar hij met Concentus Musicus speelde op het 25-jarig jubileum van de Groningse Bachvereniging.

In Groningen was de oprichter en dirigent van de Bachvereniging, Johan van der Meer, net als Harnoncourt al vele jaren bezig met het ontwikkelen van een historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk, door voor elk concert de handschriften in te duiken en de ontstaansgeschiedenis van een stuk te reconstrueren. ,,Groningen is bezig een Europees barokcentrum te worden’’, constateerde Harnoncourts vrouw Alice bij de jubileumconcerten in Groningen, waar ook andere oudemuziekpioniers als Frans Brüggen, de gebroeders Kuijken en Ton Koopman acte de présence gaven.

Harnoncourt speelde met Concentus Musicus Wien op 20 november 1970 in De Harmonie in Groningen Bachs Magnificat, de Eerste orkestsuite en het Vijfde Brandenburgse concert . Het was het eerste optreden van het legendarische orkest in Nederland en het concert in Groningen vormde het begin van een langdurige relatie met ons land.

Concertgebouworkest

Drie jaar later dirigeerde Harnoncourt bij het Residentie Orkest de Matthäus Passion en was hij met zijn ensemble te gast op het Holland Festival. Harnoncourts revolutie kwam ook naar Amsterdam. Bij het Concertgebouworkest dirigeerde hij vanaf 1975 bijna tien jaar lang rond Pasen afwisselend de traditionele Johannes en Matthäus Passion . Chef-dirigent Haitink kwam er voor Mozart en Beethoven nauwelijks meer aan te pas. De ontwikkeling was niet te stuiten.

Bij het Concertgebouworkest was Harnoncourt in totaal 276 keer te gast, met als hoogtepunten ook opvoeringen van Mozarts Da Ponte-opera's bij De Nederlandse Opera en Szenen aus Goethes Faust van Schumann (in 2008). Harnoncourts repertoire reikte inmiddels tot en met Alban Berg, en zelfs Berio, wiens eerste versie van Rendering (een reconstructie van Schuberts Tiende symfonie ) hij in 1989 in première bracht. In 2013 nam hij met Bruckners Vijfde symfonie afscheid van het Concertgebouworkest.

Harnoncourts nalatenschap is groot, zowel fysiek, in de vorm van talloze plaatopnamen, als geestelijk, door de implementatie van de gedachte dat het de taak is van elke dirigent 'te begrijpen wat voor componisten maatgevend is'. Dát was voor hem de enige zinvolle interpretatie van het woord authenticiteit.

menu