In de rij voor Casa Azul Museo Frida Kahlo in Mexico-stad

Musea trekken vooral veel publiek met grote namen als Bowie, Stones en Rembrandt maar wat hebben we nog aan deze blockbusters?

In de rij voor Casa Azul Museo Frida Kahlo in Mexico-stad Foto: DvhN

Het organiseren van grote tentoonstellingen is voor musea ingewikkeld, misschien wel onmogelijk geworden. Wat heb je nu en straks nog aan een blockbuster?

Hier, op deze plek, had een ander artikel moeten staan. Een reportage die zou beginnen in Mexico-stad en vertelt over een bijzondere collectie schilderijen gemaakt door de beroemdste vrouwelijke kunstenaar ter wereld: Frida Kahlo. Een verhaal waarin wordt uitgelegd hoe zij zo beroemd is geworden, hoe ze daar zelf de hand in had en hoe zij, 66 jaar na haar dood, vrouwen over de hele wereld inspireert.

In het stuk zou worden vooruitgeblikt naar een tentoonstelling in het Drents Museum in Assen met niet alleen schilderijen van Kahlo, maar ook persoonlijke bezittingen en door anderen gemaakte kunstvoorwerpen gebaseerd op haar leven en werk. De frase ‘grootste Kahlo-expositie ooit in Nederland’ zou voorbij komen, net als ‘de duurste tentoonstelling ooit door het Drents Museum gemaakt’.

De coronacrisis heeft de komst van Kahlo onmogelijk gemaakt

Twee weken later, op 11 oktober, zouden de eerste van mogelijk 150.000 bezoekers van Viva La Frida! het museum moeten binnenstappen. Dan zouden foto’s worden gemaakt van een lange rij wachtende mensen op de Brink. In het fotobijschrift zou het woord ‘blockbuster’ worden gebruikt: een tentoonstelling die veel publiek trekt. Museumdirecteur Harry Tupan zou opgelucht en tevreden zijn.

Het is anders gelopen. De coronacrisis heeft de komst van Kahlo onmogelijk gemaakt. Het naar Nederland halen van kunstvoorwerpen en het reizen van tienduizenden kunstkijkers is te riskant geworden. Daarbij: de museumbezoeker is huiverig voor mensenmassa’s.

Geen Kahlo, wel Helmantel

In het Drents Museum is straks een tentoonstelling te zien met schilderijen van Henk Helmantel, eveneens een groot kunstenaar, op een andere manier dan Kahlo. Helmantel is geen onbekende, mede dankzij zijn eigen museum in Westeremden. In 2004 had hij ook al een grote tentoonstelling in Assen. Daarvoor en daarna exposeerde hij op talloze andere plekken. De kans dat Helmantel 150.000 bezoekers naar de Drentse hoofdstad lokt, is gering.

Is dat erg? Nou, het heeft ook voordelen. Voor bezoekers zijn blockbusters niet altijd aangenaam en prettig. Niet alleen vanwege de rij voor de kassa en het gedrang bij de jassen en het gebak, maar ook omdat die drommen bezoekers door de tentoonstelling moeten worden geleid, in time slots . Omdat drukte tot hectiek leidt, gedrang bij de kunstwerken, het gevoel geen kunstminnend mens, maar een consument van de amusementsindustrie te zijn.

Helmantel is een fijnschilder, een kunstenaar voor wie contemplatie belangrijk is. Met Frida Kahlo, misschien wel omdat ze wereldberoemd is, wil je als individu een persoonlijke connectie.

De blockbusterverslaving van Nederlandse musea

Eerder dit jaar stelde Meta Knol, directeur van museum De Lakenhal in Leiden, de blockbusterverslaving van Nederlandse musea ter discussie. Het museum van Knol was net ingrijpend verbouwd en vierde dat, onder meer, met een ambitieuze tentoonstelling: De Jonge Rembrandt . De reacties van recensenten en bezoekers waren lovend. Toch zaten ze in Leiden na afloop met een kater.

,,Dergelijke grote publiekstrekkers zijn voor een middelgroot stadsmuseum als De Lakenhal niet meer op te brengen. De kosten zijn astronomisch”, bekende Knol. Ze vertelde dat een kwart van de begroting aan verzekeraars was betaald, dat bruikleengever op kosten van het museum koeriers in de businessclass van het vliegtuig hadden gezet en dat voor de marketing de internationale pers moest worden ingevlogen. Het had de kaartjes duur gemaakt.

Knol sprak van een pervers systeem waarin musea zichzelf langzaam vastdraaien. ,,Een systeem waarin Nederlandse musea tegen elkaar opbieden met grote, geldverslindende publiekstrekkers waarvoor steeds méér geld en méér publiek nodig is, en waarbij succes steevast wordt afgemeten aan omzet en bezoekcijfers. Maar waar de bovengrens van dit bezoekerspotentieel ligt, blijft onderbelicht. Het is een symptoom van de meest hardnekkige kwaal van onze tijd: groeiverslaving.”

loading  

Het roer moet om, stelde de museumdirecteur in Leiden. ,,Er is in de samenleving behoefte aan verbinding en betekenis. Musea kunnen die behoefte inlossen. Want wie begrijpt dat complexiteit en verandering zich overal voordoen en van alle tijden zijn, ontwikkelt een ruimer wereldbeeld – en dat is in deze vloeibare tijd van globalisering hard nodig. We gaan onze energie daarom niet meer primair richten op geldverslindende, niet-duurzame tentoonstellingen, maar vooral op het vertellen van lokale verhalen met een universele zeggingskracht.”

De directeur werd beloond met een applaus van zowel museummedewerkers als museumbezoekers.

In Leeuwarden hield niemand een kater over aan Rembrandt & Saskia

Wat Knol niet vertelde, was dat De Jonge Rembrandt in Leiden ‘slechts’ 55.000 bezoekers had getrokken. En dat haar grondig verbouwde museum, hoe fraai ook, voor zo’n aantal in zo’n korte tijd te krap bleek. Ter vergelijking: in dezelfde periode trok de tentoonstelling Rembrandt & Saskia. Liefde in de Gouden Eeuw in het Fries Museum 75.000 bezoekers. Niemand in Leeuwarden die daar een kater aan overhield.

Wat Knol eveneens verzuimde te vertellen, is dat grote publiekstrekkers niet alleen gevolgen hebben voor het museum en de museumbegroting. Blockbusters sorteren ook effect op de omgeving van musea. Een museum is geen kasteel op een eiland waar bezoekers even aan hun wereldbeeld werken en daarna linea recta huiswaarts keren. Ze vervullen een actieve rol in een samenleving waar belasting wordt betaald om een museum museum te laten zijn.

Niet zonder reden beschikt Assen sinds 2018 over een nieuw treinstation

In 2008 slaagde het Drents Museum erin een deel van het Terracotta Leger van Xi’an naar Assen te verschepen. Waar het museum voor die tijd tevreden mocht zijn met jaarlijks 100.000 bezoekers, bracht de gelijknamige tentoonstelling 350.000 mensen op de been. Het liet zien dat er voor een middelgroot stadsmuseum veel meer mogelijk is. Vier jaar later was het Drents Museum uitgebreid met een extra zaal.

Sindsdien grossiert het in tentoonstellingen waar veel publiek op af komt, de ene keer voor figuratieve schilderkunst uit Rusland, Noord-Korea, de Verenigde Staten, Schotland en Italië, de andere keer voor archeologie uit Georgië, Midden-Amerika, China, Israël en Iran. Die grote tentoonstellingen zijn allerminst goedkoop, al verschilt het per thema en bruikleengever. Daar staat tegenover dat ze mensen lokken, die zonder die tentoonstellingen nooit op het idee waren gekomen om in Assen uit de trein te stappen. Niet zonder reden beschikt Assen sinds 2018 over een nieuw treinstation.

Naast een economisch effect waar vooral middenstanders garen bij spinnen, is er een afgeleid effect: wat de populariteit van een museum doet voor het zelfbeeld van mensen die in de omgeving van dat museum wonen. Meetbaar is het niet, maar het lijkt er op dat het vernieuwde Drents Museum in 2012 Assen heeft wakker gekust, net zoals het vernieuwde Groninger Museum dat in 1994 met Groningen deed.

Vraag een Assenaar naar wat hij of zij geslaagd vindt aan zijn woonplaats, tien tegen een dat na ondoorgrondelijk zwijgen het Drents Museum wordt genoemd. Omdat het museum de wereld een blik op Drenthe biedt en Drenthe een blik op de wereld. Twee voor de prijs van een.

Dit voorjaar werd in het Fries Museum de expositie Wij Vikingen afgesloten met ruim 88.000 bezoekers. In een begeleidend persbericht werd met tevredenheid een reeks wapenfeiten opgesomd: de expositie had 38 procent nieuwe bezoekers getrokken. Twee derde van hen kwam van buiten Friesland. Het publiek besteedde ruim 4 miljoen euro in winkels, aan eten, drinken, overnachten en activiteiten.

Het gejubel ging gepaard met een waarschuwing van de directie: Wij Vikingen is mogelijk de laatste grote tentoonstelling in Leeuwarden. ,,Zonder extra financiering kan het Fries Museum geen grote tentoonstellingen meer maken. Om zijn culturele, maatschappelijke en economische rol voor provincie te kunnen behouden, zijn nieuwe middelen nodig.”

Met andere woorden: de kost gaat voor de baat uit.

Andreas Blühm zoekt balans tussen groot en klein

Recentelijk werd het Groninger Museum door de Kunstraad Groningen bekritiseerd omdat het museum te veel gericht zou zijn op bezoekersaantallen. Het binnenhalen van blockbusters zou mogelijke inhoudelijke verdieping in de weg staan. Museumdirecteur Andreas Blühm reageerde verrast.

,,Ik probeer voortdurend een balans te creëren tussen groot en klein”, zei hij. ,,Mijn motto is: Maak de moeilijke dingen populair en maak de populaire dingen interessant. De redenering is niet: we hebben Bowie gehad, nu moeten we een ingewikkelde onderzoekstentoonstelling maken. De zogenaamde blockbusters financieren de kleine dingen.” De tentoonstelling David Bowie is trok meer dan 200.000 bezoekers. Later dit jaar opent in Groningen een tentoonstelling over de Rolling Stones.

Wat in Holland een pervers systeem kan lijken, hoeft dat in de rest van Nederland niet te zijn. Neem Noord-Brabant, waar in 2016 in Den Bosch de tentoonstelling Jeroen Bosch. Visioenen van een genie te zien was. Het zorgde voor lovende recensies en enthousiaste bezoekers. Tegelijkertijd zette het een cultuur-toeristisch beleid in gang waarbij nadrukkelijker wordt ingezet op het vertellen van een ‘lokaal verhaal’. Zoals dat van Vincent van Gogh.

Musea zijn uithangbord voor aantrekkelijke regio

Anders dan in de overvolle en rijk bedeelde Randstad hebben provincies als Drenthe, Friesland, Groningen en Overijssel musea nodig om zich te manifesteren als een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren. Dat kan prima met het tonen van en vertellen over plaatselijk erfgoed. Maar dat gaat beter met exposities die én interessant zijn voor de eigen bevolking én aantrekkelijk worden gevonden door volk van buitenaf.

Assen gaat dit jaar Frida Kahlo heel erg missen, juist nu Drenthe een van de weinige plekken is waar je nog met een veilig gevoel en gerust hart naar toe kan.

Ondertussen is het de vraag of museumsucces wel mag worden afgemeten aan omzet en bezoekcijfers. Als dat zo is, is Amsterdam met afstand de meest succesvolle stad van het land. Het Rijksmuseum, het Van Gogh Museum, het Anne Frankhuis, Nemo en het Amsterdam Museum staan jaarlijks in de top tien met beste bezochte musea. Het Van Gogh Museum is echter in normale tijden zo vol van toeristen, dat het niet fatsoenlijk te bezoeken is. Het Anne Frankhuis een succes noemen, is ongepast.

Succes ziet er niet uit als de wachtende meute voor u.

Cijfers zeggen niets over kwaliteit tentoonstelling

Dat ook in de museumwereld veel naar cijfers en getallen wordt gekeken, is begrijpelijk. Maar het is ook een teken van armoe. Het is makkelijk en verleidelijk, zeer geschikt om bestuurders zover te krijgen een besluit te nemen over een investeringsagenda. Het past bij marketingstrategieën. Niet voor niets publiceren veel musea reeds half december hun bezoekcijfers, nog voor het jaar is afgelopen, als reminder voor een potentieel uitje in de kerstvakantie. Media werken er graag aan mee, ook deze krant.

Cijfers en getallen, een beetje museumbezoeker weet dat, zeggen niets over wat er tijdens de tentoonstellingen kan worden gezien, ervaren en gedacht.

Hopelijk komt Kahlo volgend jaar alsnog.

menu