Jan Jaap van der Wal (met Tommy Cooper-buikspreekpop) en René van 't Hof

Slechte grappen, mislukte goocheltrucs

Jan Jaap van der Wal (met Tommy Cooper-buikspreekpop) en René van 't Hof

Als goochelaar mislukte Tommy Cooper volledig, maar hij ontdekte dat het publiek onbedaarlijk moest lachen om zijn gekluns op het podium. Dat gegeven is de basis van Not the Tommy Cooper story, waarin Jan Jaap van der Wal en René van 't Hof het genie van de Britse komiek willen blootleggen.

Theater maken

De titel is bewust gekozen: Not the Tommy Cooper story. De voorstelling waarmee Theatergroep Maastricht voor het eerst in het Noorden komt, gaat oppervlakkig gezien helemaal niet over de Britse reus met zijn fez en doodsbange blik. Want toen het gezelschap Jan Jaap van der Wal benaderde voor een rol in een stuk over de komiek, weigerde hij op voorhand al dat hij hem zou moeten imiteren. ,,Het gaat niet om stand-upcomedy, maar je gaat theater maken. Als je hem dan alleen nadoet, ben je snel uitgepraat.’’

Toch kan een voorstelling die zijn naam draagt natuurlijk niets anders dan ook óver Tommy Cooper gaan. Het is alsof zijn persoon en zijn levensgeschiedenis uit elkaar zijn gehaald en als een verhaaltje weer in elkaar zijn gezet. Hoofdpersonage is toneelknecht Terry Copper, gespeeld door René van ‘t Hof, die na een voorstelling een fez terugvindt en hem wil terugbrengen naar zijn rechtmatige eigenaar. Zo vormt het rode hoedje met kwast – Tommy Cooper plukte, zo wil het verhaal, in Egypte een fez van het hoofd van een ober omdat hij zijn eigen rekwisiet, een piekhelm, was vergeten – de rode draad in een voorstelling vol melancholie, slechte grappen, klunzige goochelacts en drank.

Voorliefde voor mislukking

Van der Wal en Van ‘t Hof delen een voorliefde voor de mislukking, en dat maakt Tommy Cooper tot een mooi onderwerp, vindt Van ‘t Hof. ,,Aan de mislukking zit een zekere poëzie. Succes trekt altijd volle zalen, maar een succesverhaal is leeg, heel leeg. Die Amerikaanse goochelaar, hoe heet’ie? David Copperfield, ja. Die tovert een Boeing weg. Maar dat is toch gewoon niet leuk? Het is veel leuker als het hoekig is, als er een randje aan zit.’’

Geen komiek met een tragischer randje dan Tommy Cooper, vinden de twee, en juist dat maakte hem zo briljant. De blik in zijn ogen was die van een nobody die ten overstaan van iedereen in zijn hemd staat. Zijn expres bulderende lach moest verbergen hoe flauw zijn grappen waren, zijn goocheltrucs liepen altijd finaal uit de rails, om daarna volkomen onverwacht alsnog te lukken. ,,Die flauwe grappen, die deed hij zo fenomenaal goed’’, zegt Van der Wal. ,,Hij was bij zijn timing altijd net te laat, echt off-beat, zeg maar. Dat maakte die flauwe grappen weer ontzettend grappig.’’

Het is ook die timing, en dat typisch Britse understatement, wat Tommy Cooper ook in Nederland erg populair maakte. ,,Als je naar die mimiek kijkt van Engelsen en Nederlanders, dan ligt dat heel dicht bij elkaar’’, zegt Van der Wal. ,,In Vlaanderen snappen ze het minder goed, maar als kind in Leeuwarden keek ik er al naar en vond het vreselijk grappig. Ik hoefde het niet eens te verstaan. Aan het ritme van die grappen kon je al horen dat het goed was.’’

Coopers hele act was eigenlijk gebouwd op mislukking. Als beginnend artiest wilde hij doorbreken als goochelaar, maar door de zenuwen ging zijn act steeds de mist in, wat het publiek vreselijk grappig vond. ,,Maar goochelen kon hij echt’’, zegt Van der Wal. ,,Voor deze voorstelling hebben mensen zich gemeld die hem na een optreden in Amsterdam in een goochelcafé bezig hebben gezien. Hij had het echt in de vingers, en hij bleef tot in de kleine uurtjes.’’

Humor vrij baan

Natuurlijk krijgt de humor ook in Not the Tommy Cooper story vrij baan. Waar René van ‘t Hof als wat angstig aangelegde toneelknecht de fysieke grappen voor zijn rekening neemt, is Jan Jaap van der Wal meer een bewust middelmatige versie van zichzelf als grappenmaker, met moppen waarbij de clou er met een bekkenslag wordt ingeramd: ,,’Ik heb een engel van een vrouw’, zegt de een. Antwoordt de ander: ‘Mazzelaar! De mijne leeft nog!’’’

Maar terwijl bij een optreden van Tommy Cooper altijd de humor voorop stond, met een tragische ondertoon, is dat bij Van der Wal en Van ‘t Hof min of meer omgekeerd. Alleen al de muziek die Vincent van Warmerdam ervoor maakte (hij speelt zelf ook mee in de begeleidingsband) is melancholisch. Ook toneelknecht Terry Copper heeft melancholische trekken, die als man in de coulissen tegen wil en dank in de spotlight komt te staan en grappig moet doen. Hij krijgt daarnaast te maken met demonen die ook Tommy Cooper teisterden, zoals overmatig drankgebruik en problemen in de liefde (hij sloeg zijn eerste vrouw, van wie hij scheidde, en koos voor zijn minnares). En natuurlijk komt ook Coopers vermaarde dood op het podium terug: hij kreeg live op tv een kaftan aan, waarna hij plotseling ineenzakte. Terwijl het publiek doorlachte werd hij het podium afgesleept, waarna artsen vergeefse pogingen ondernamen hem te reanimeren. Sterven in het harnas geldt als de mooiste dood voor een artiest, maar Van der Wal lijkt het verschrikkelijk. ,,Ook al heeft het bij Cooper erg bijgedragen aan de mythevorming.’’

Angst

Het leven van een artiest eist achter de schermen wel eens zijn tol, en dat is ook wat Van ’t Hof en Van der Wal duidelijk proberen te maken. ,,Het is in zekere zin ook een voorstelling over onszelf’’, zegt Van der Wal. ,,Ik reflecteer over het komiek-zijn en over het vastzitten in een mal, in een act die je niet meer kunt veranderen.’’ Want ondanks, of juist vanwege zijn succes was Tommy Cooper niet bij machte om zijn act te veranderen. Maar ook de angst die erbij komt kijken als je je publiek keer op keer weer moet behagen speelt een rol. Van der Wal: ,, Comedy is a man in trouble , zei Jerry Lewis. Dat is een rake uitspraak, en daarin was Tommy Cooper extreem.’’

Van ‘t Hof en Van der Wal hebben die angst wel redelijk onder controle. ,,Je kunt het leren sturen. Het is ook nodig, een soort van angst, als je tot een prestatie wilt komen’’, zegt Van ‘t Hof. ,,Voor mij gaat dat op een prettige manier. Maar er zijn genoeg collega’s die vijf minuten voordat ze opgaan nog moeten kotsen.’’

Drankorgel

Tommy Cooper, die op het podium altijd doodsbenauwd leek, stond er om bekend achter de schermen juist volkomen ontspannen te blijven, om zich daarna te laten verrassen op het moment dat hij alweer opmoest. ,,Maar hij nam wel wat in, van te voren’’, zegt Van der Wal. Hoe de komiek dat volhield, is hem een raadsel. ,,Als je in Toomler in Amsterdam twintig minuutjes moet spelen, gebeurt het wel eens dat je een biertje ophebt voordat je op moet. Maar het is totaal niet leuk. Als je het lichamelijk niet aankunt, is het heel onprettig.’’ Ook Van ‘t Hof overkwam het een keer dat hij een tikje aangeschoten het podium opging. ,,Ik denk niet dat het publiek het merkte. Maar het was dodelijk vermoeiend.’’

Geen wonder misschien, dat drankorgel Tommy Cooper in 1984 al op zijn 63ste overleed. In de jaren ervoor had hij al geprobeerd te minderen, maar nog steeds kon hij op een slechte dag zijn shows plichtmatig afraffelen. Een keer onthoofdde hij bijna tv-persoonlijkheid Michael Parkinson toen hij, beneveld en wel, vergat een guillotine te zekeren. Het is misschien allemaal tragisch, maar wel een mooi verhaal in een tijd die bezeten is van succes. Van ‘t Hof: ,,Nu moet je je voortdurend oppompen en roepen dat alles geweldig gaat. Vreselijk vind ik dat.’’

menu