Jean Pierre Rawie.

Column van Jean Pierre Rawie: Vertegenwoordiger

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Gedurende mijn opvoeding is me ingeprent dat nette mensen niet over geld praten. Ik wijk voor één keer van deze regel af, op voorwaarde dat onderstaande bespiegeling tussen u en mij blijft.

‘Van dichten comt mi cleine bate / Die liede raden mi dat ict late,’ zo begint de middeleeuwse Marialegende Beatrijs (dat leerde je vroeger op school, maar nu niet meer, omdat je alles kunt opzoeken, en de docent het dientengevolge ook niet meer weet). De tijdloze wijsheid dat het schrijven van poëzie weinig loont, is nooit beter verwoord.

Niet zonder reden zijn ouders bekommerd, wanneer hun kind voor de kunst kiest, al zijn er nog zonderlinger voorkeuren mogelijk (,,Wat wil je later worden, jongen?” – ,,Boa, moeder!”).

Die terechte ouderlijke zorg geldt zeker de dichtkunst. Een roman kan nog wel eens een bestseller blijken, of bekroond worden met een internationale prijs – het gebeurt, al is de kans klein –, maar een dichtbundel haalt zelden meer dan een paar honderd exemplaren; dat geldt overal ter wereld, en niet alleen in ons nuchtere vaderland, zoals u misschien denkt.

Ik weet er alles van, want mijn gehele leven heeft in de dienst der Muze gestaan. In tegenstelling tot de meeste kunstbroeders verwierf ik in de loop der jaren een voor poëzie aanzienlijk publiek, maar zelfs zo was de opbrengst van mijn publicatiën bij lange na niet genoeg om de wolf buiten de deur te houden.

Geruime tijd voorzag ik in mijn behoeftes door het houden van voordrachten. Vooral in de jaren 80 en 90 was het een rage dichters in het wild te aanschouwen, en zag ik alle hoeken des rijks, zij het dikwijls alleen het station en het zaaltje waar ik moest optreden. Waar mijn woonplaats Groningen niet altijd meer te bereiken was, heb ik tevens in menige treurige hotelkamer mogen overnachten. Toen mij het dichterschap overkwam, had niemand me verteld dat ik min of meer het bestaan van een vertegenwoordiger zou leiden.

Later kwamen er bureautjes die bemiddelden tussen initiatiefnemers van literaire evenementen en uitgenodigde schrijvers, maar aanvankelijk kreeg je na afloop een envelop met het afgesproken bedrag in handen gedrukt. Dat was een kwestie van vertrouwen. Soms gaf de organisator er de voorkeur aan de gelden over te maken, maar bijwijlen ‘vergat’ hij dat, of beweerde zulks reeds gedaan te hebben, en het viel moeilijk verhaal te halen in een verre uithoek des lands.

Een mededichter werd eens gevraagd met minder genoegen te nemen, opdat men ‘meer overhield voor de écht grote namen

Omdat ik het niet deftig vond zo’n couvert aan inspectie te onderwerpen, merkte ik vaak pas gezeten in de laatste trein dat men verzuimd had de reisvergoeding bij te sluiten, zodat er gezien de toch al karige honorering niet veel overbleef.

Als gezegd, kwamen er naderhand voorzieningen die dergelijke boevenstreken onmogelijk maakten, al bleven slimmeriken voortdurend proberen een korting te bedingen. Een mededichter, wiens identiteit ik op voor de hand liggende gronden niet verklap, werd eens gevraagd met minder genoegen te nemen, opdat men ‘meer overhield voor de écht grote namen’.

Maar nu. Sedert een halfjaar lijkt er om één of andere reden iets loos te zijn in het lezingencircuit. Ik houd m’n hart vast.

menu