In 1994 werd herdacht dat de stad Groningen zich 400 jaar daarvoor eindelijk en met grote tegenzin had aangesloten bij de opstand tegen de rechtmatige vorst, de Spaanse koning Filips II.

Onze vrijheidsstrijd, nota bene begonnen met de slag bij het naburige Heiligerlee, was toen al meer dan een kwarteeuw aan de gang. Deze zogeheten ‘Reductie’, in feite een capitulatie, volgde op een twee maanden durend beleg door Maurits van Nassau, die weliswaar een drankzuchtige wellusteling, maar ook een geduchte ijzervreter was.

Om de viering enige luister bij te zetten, had de provincie mijn kunstbroeder Driek van Wissen de opdracht verstrekt over elk der Groninger gemeentes – dat waren er, als ik het wel heb, toen nog 23 – een lied te schrijven, dat op muziek gezet zou worden door componist Wouter de Koning.

'Dat lied wordt nooit gezong’n! Uitgerekend in Hoogezand, de plaats waar Driek zijn hele werkzame leven les gaf

Driek kweet zich zoals altijd gewetensvol van zijn taak, en de liederen werden met overzichtelijke zangaanwijzingen in een fraaie map uitgegeven. Het karakter van iedere gemeente werd geschetst vanuit een ongebruikelijke invalshoek; zo bestond de tekst over Groningen-stad geheel uit de namen van toenmalige lokale cafés (‘In Groningen, in Groningen / Gaat men een glaasje drinken / In Frigge of De Kwinke, / In Suisse of in Helvetia, / De Groote Griet, De Opera, / De Pijp, De Kleine Harmonie, / Het Boschhuis of De Brasserie, / De Vlaamsche Reus of Oblomov, / De Wolthoorn of De Naberhof, / De Smederij, Maison Cassée, / Chez Dick, M’n Moeder of Chez Dré, / Of bij Koos Kerstholt, op naar Koos! / De kroegentocht is eindeloos / In Groningen (3x)’ en zo nog twee coupletten, bij lezing waarvan ik versteld sta van alle intussen verdwenen etablissementen).

Slechts bij één gemeente viel het lied niet in goede aarde. Uitgerekend Hoogezand, de plaats waar hij zijn hele werkzame leven les gaf, stoorde zich aan de regels ‘Al wonen in Woelwijck ook psychische zieken, / Men blijft economisch gezond’, want het betreffende dolhuis sprak van ‘cliënten’ of ‘bewoners’, en Drieks typering was tegen de zere geitenwollen sok. Zelfs de term ‘patiënten’ werd als te stigmatiserend verworpen.

Die alternatieven rijmden echter niet op het woord ‘fabrieken’, dat de derde regel afsloot, en de dichter peinsde er niet over de verzen aan te passen, waarop enkele zeloten uit de regio een kort geding aanspanden teneinde het kunstwerk te doen verbieden.

De avond voor dit geding zou dienen bevond ik me met Driek in een gelegenheid, waar zich de president van de rechtbank, met wie ik in een clubje zat, bij ons voegde. Het werd een genoeglijk samenzijn, en het mag geen bevreemding wekken dat de magistraat daags daarop bij de aanvang van de zitting Driek hartelijk groette. De raadsman der klagers was vermoedelijk nog niet zo lang afgestudeerd, want er volgde geen wrakingsverzoek.

De zaak zelf bleek een hamerstukje. Je moet te onzent van goeden huize komen als je een gedicht of stuk proza uit de roulatie wilt laten nemen. De Hoogezanders voelden zich bitter verongelijkt, temeer omdat ze veroordeeld waren tot betaling der proceskosten. Ik stond bij de uitgang toen de vergramde rekwestranten passeerden. ,,Dat lied wordt nooit gezong’n!” gromde één hunner me in het voorbijgaan dreigend toe, ,,Dat lied wordt nóóit gezong’n!”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur