Het aan de letterkunde gewijde televisieprogramma Brommer op zee benaderde me, wonderlijk genoeg niet naar aanleiding van mijn nieuwe bundel, maar met het verzoek een korte tekst te leveren over mijn vriendschap met de onlangs gestorven auteur Hafid Bouazza. Er was haast bij, want men ging diezelfde dag nog ‘monteren’.

Nu had ik, vooral in de jaren 90, toen ik lange perioden in Amsterdam woonde, veel met Hafid opgetrokken, en ik gewaagde van zijn vooruitziende blik betreffende de gewelddadige islam, maar ook van zijn alcoholisme. Zo droeg hij altijd een flaconnetje absint in zijn binnenzak voor als hij naar de wc moest, en dientengevolge een paar minuten geen glas binnen handbereik had. Alleen al zijn onlesbare drankzucht zorgde ervoor dat hij het geloof zijner vaderen moest afzweren.

Deze herinneringen bleken echter niet wat de omroepjongens voor ogen had gestaan. Ze hadden, zo werd me naderhand meegedeeld (ofschoon niemand daar aanvankelijk van had gerept), eigenlijk een gedicht willen hebben, ‘een sonnet of zo’. Op mijn uitleg dat poëzie, althans de mijne, op deze manier niet tot stand kwam, kreeg ik geen antwoord. Het wordt nooit wat tussen literatuur en de tv.

Ik heb weinig in opdracht geschreven, weshalve ik ook nooit gepoogd heb Dichter des Vaderlands te worden. Daarvan wordt immers een poëtische reactie op maatschappelijke gebeurtenissen verwacht, en ik zou bijvoorbeeld geen lofdicht op Sywert van Lienden kunnen afscheiden.

Zo ben ik ook het hofdichterschap misgelopen, al heeft het maar een haar gescheeld. Ergens begin deze eeuw werd ik opgebeld door Pieter van Vollenhoven, toen nog voorzitter van de Raad voor de Verkeersveiligheid. Het bleek dat er eens per jaar een vrachtwagenchauffeur gehuldigd werd die in zijn hele loopbaan geen enkele verkeersfout gemaakt had, en hij vroeg me voor die plechtigheid een sonnet te schrijven.

Ik zei zulks te zullen overwegen, en bedong een honorarium van 1000 euro, want voor niks gaat de zon op. Daar was hij, merkte ik, enigszins beduusd over, omdat vrijwel iedereen alles gratis doet voor het koningshuis, maar na enige ruggespraak ging hij akkoord (,,Goed hoor, die drie nullen. Als u meer had gevraagd, was dat ook geen probleem geweest.” – Het Leidse accent moet de lezer er zelf bij denken).

Mijn klinkdicht betoogde dat iemand die eenmaal met zo’n onderscheiding begiftigd was, daarna van zijn leven niet meer achter het stuur durfde, en het poëem oogstte geestdriftige instemming op Het Loo.

Enige tijd later ontving ik een telefoontje van Van Vollenhovens secretaresse. Zou ik nogmaals de pen ter hand willen nemen, nu om een bevriende televisiepresentatrice te eren, die een week daarna tachtig werd? Alleen, voegde ze eraan toe, wel graag voor iets minder, ‘want meneer Van Vollenhoven moet het zelf betalen’.

Ik had natuurlijk met hem te doen, maar zei dat ik daar niet aan kon beginnen, en ried haar aan mijn in dezen veel vaardiger kunstbroeder Driek van Wissen te polsen. Later hoorde ik van Driek dat hij inderdaad was gebeld, en had toegezegd, onder conditie dat hij er 500 voor zou krijgen, ,,en geen cent minder, anders vindt Rawie mij een beunhaas.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur