Jean Pierre Rawie.

Column Jean Pierre Rawie: Welk een kunstenaar!

Jean Pierre Rawie. Foto: Marcel Jurian de Jong

Het is opvallend hoeveel dictatoren zich ook artistiek geuit hebben, of als kunstenaar begonnen zijn. Het bekendste voorbeeld is Adolf Hitler, die als jongeman door het ter verkoop aanbieden van middelmatig geschilderde prentbriefkaarten in zijn onderhoud trachtte te voorzien.

Het blijft een intrigerende gedachte hoe de geschiedenis zich ontwikkeld zou hebben indien hem de toegang tot de Weense kunstacademie niet tot tweemaal toe was ontzegd (ik heb docenten van Minerva te Groningen in dit verband dikwijls, wanneer er weer toelatingsexamens aan zaten te komen, op hun verantwoordelijkheid gewezen).

Caesar was een begenadigd auteur, ofschoon generaties gymnasiasten, vloekend over De Bello Gallico gebogen, daar stellig vaak anders over gedacht hebben. Napoleon en Mussolini schreven romans, en Stalin en Mao gedichten. Frederik de Grote – die misschien niet helemaal een dictator was, al kon je beter geen ruzie met hem krijgen – componeerde, voor dwarsfluit weliswaar, maar toch. Ceauşescu was een genie tout court , zeker volgens zijn vrouw en hemzelf.

Alleenheersers hebben een bijzondere verhouding tot de kunsten, en zien vooral in schrijvers, doorgaans terecht, hun meest geduchte tegenstanders

Als scheppend (het woord zegt het al) kunstenaar ben je volledig meester over de materie; op het doek of in een boek gebeurt wat jíj wilt. Het is maar een kleine stap dat in de echte wereld eveneens vanzelfsprekend te vinden. Onlangs las ik dat Thierry Baudet ooit tijdens een bijeenkomst van zijn ‘beweging’ uitriep: ,,Ik ben de baas! Ik ben de baas!” Dat hij zich tevens als romancier doet gelden, moet ons in de aanloop naar de komende verkiezingen te denken geven.

Alleenheersers hebben een bijzondere verhouding tot de kunsten, en zien vooral in schrijvers, doorgaans terecht, hun meest geduchte tegenstanders. Thomas Mann was één van de grote anti-Hitlerkrachten, terwijl hem niets ten dienste stond dan zijn pen en zijn reputatie. Het is geen toeval dat in de Stalintijd vrijwel alle literatoren van naam monddood (of gewoon dood) gemaakt werden. Alleen internationaal aanzien bood hun enige bescherming, wat overigens niet verhinderde dat Pasternak bijvoorbeeld onder druk van de regering-Chroesjtsjov de Nobelprijs moest weigeren.

Graag bemoeien tirannen zich ook met kunstwerken van anderen; ze zijn immers min of meer collega’s. Sjostakovitsj moest op last van Stalin een door hem getoonzette Sovjethymne herschrijven. Na drie weken leverde hij de ‘verbeterde’ versie in, zonder een noot te hebben veranderd. ,,Kijk’’, zei Stalin, ,,dat bedoelde ik; zo is het goed.”

Toen Michelangelo zijn David afhad, achtte de toenmalige machthebber in Florence, Soderini, de neus te breed (waar iets voor te zeggen valt). Michelangelo klom naar boven – het beeld is vijf meter hoog – en deed alsof hij beitelde, waarbij hij wat marmersplinters die hij in zijn hand had naar beneden liet vallen. Daarop was Soderini tevreden.

Het prototype van de bevlogen despoot blijft evenwel keizer Nero, die zichzelf in de eerste plaats artiest voelde. Zijn pretenties op dat gebied ergerden de Romeinen meer dan zijn misdaden. Zoals Juvenalis opmerkte: Orestes was ook een moedermoordenaar, maar we hoefden tenminste niet naar zijn gezang te luisteren.

Toen de gevallen Nero inzag dat hem alleen nog zelfmoord restte, betreurde hij niet zijn keizer- maar zijn kunstenaarschap. ,,Qualis artifex pereo !”, waren zijn laatste woorden, ,,Welk een kunstenaar gaat met mij verloren!”

menu