Het geld is op. De New Yorkse socialite Frances Price en haar zoon Malcolm teerden jarenlang op de erfenis van haar overleden man, maar de bodem komt in zicht. Met de restanten (nog altijd een indrukwekkende stapel biljetten) vertrekken ze samen met hun zwarte kat naar Parijs.

Azazel Jacobs maakt komedies ­gemaskeerd als tragedies. Of misschien is het andersom. Net als zijn eerdere films Terri en The Lovers is French exit geregeld erg geestig, op een volstrekt onnadrukkelijke en licht vervreemdende manier. Het zijn films die bijna rimpelloos kabbelen, waarin het bizarre even achteloos wordt gepresenteerd als het alledaagse.

Na een lome cruise wacht in Parijs een bestaan in een soort vacuüm tussen het high society-leventje waar ze niet meer toe behoren en de povere realiteit waar ze zich niet naar kunnen voegen. Nog wel een bontjas, maar geen geld voor een gechauffeerde auto. Een scheut champagne door de jus d’orange.

Gevoel van vergankelijkheid

Terwijl de stapels geld slinken, kruipt een gevoel van vergankelijkheid de film in. Voor Frances, een vrouw die problemen het liefst oplost door ze in de fik te steken met haar aansteker, staat blut zijn gelijk aan sterven. Michelle Pfeiffer zet haar weergaloos neer, laverend tussen een hang naar martini’s en de dood.

Wanneer de kat ontsnapt, die toevallig ook de reïncarnatie is van Frances’ overleden man, worden onder meer een privédetective en een waarzegster aangeroepen om het beest terug te vinden. Maar hoewel het appartement voller wordt, wordt de film stiekem steeds meer een klein familiedrama.

De droge toon en hiërarchieloze regie van Jacobs geeft French exit een wat taaie buitenlaag. Maar wie zich daar niet door laat afschrikken vindt daaronder een scherp observerend portret van een vader, een moeder en een zoon, en de wrok, zeer en spijt die tussen hen in staan.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Film