De pandemie verstoorde vorig jaar de geplande jubileumactiviteiten, toen de Melkweg in Amsterdam 50 jaar bestond. Nu het culturele leven weer op gang komt, is het boek Melkweg 50 Lichtjaren verschenen.

In 1974 kreeg de Melkweg in Amsterdam bezoek van een man van de belastingen, zo een in regenjas en met een leren aktetas. Het ‘Kosmies centrum’ aan de Lijnbaansgracht draaide al drie jaar en hij wilde weleens weten hoe het ging met de betaling van het personeel. Hij kreeg een verhaal te horen over dagvergoedingen. De belastingmeneer beloofde erop terug te komen.

De reactie was, een week later, een dwangbevel: of de Melkweg maar even 750.000 gulden achterstallige belasting wilde betalen. Dat geld was er natuurlijk niet. Via via werd een gesprek geregeld met de toenmalige staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, Wim Meijer. Die beloofde zijn best te doen. En jawel, de aanslag werd teruggebracht tot 250.000 gulden.

Nog steeds een enorm bedrag natuurlijk, maar het lukte dat in vijf jaar tijd af te betalen. De Melkweg was in de eerste jaren van zijn bestaan een heel losse, ook wel naïeve organisatie, geheel in lijn met de hippiecultuur waaruit het jongerencentrum was voortgekomen.

Maar een halve eeuw later is de Melkweg er nog altijd. Veel groter dan toen (het in een voormalige melkfabriek gevestigde muziek- en cultuurcentrum werd in 1995 uitgebreid met The Max) en veel en veel professioneler georganiseerd.

A angenaam rommelig

Het 50-jarig bestaan van het nabijgelegen Paradiso was in 2018 een behoorlijk spektakel, met als hoogtepunt een grote tentoonstelling in het Amsterdam Museum. De twee jaar jongere Melkweg wilde zijn vijftigste verjaardag vorig jaar ook uitgebreid vieren, maar corona gooide roet in het eten. Nu het eindelijk weer heropend is, verschijnt ook het jubileumboek Melkweg 50 Lichtjaren .

Het is een aangenaam rommelig boek, zowel uiterlijk als inhoudelijk. Met een veelheid aan lettertypes en een bonte opmaak oogt het een beetje als een plakboek. In de tekst wordt de geschiedenis van de Melkweg niet verteld als een chronologisch verhaal, maar heeft elk hoofdstuk een eigen thema.

Muziek is daarbij niet leidend. Het boek begint met een hoofdstuk over de feministische vrouwenfestivals die vroeger in de Melkweg werden georganiseerd en ruim aandacht is er voor de activiteiten op het gebied van theater, fotografie, dans en film.

Tussendoor wordt op gele pagina’s de geschiedenis van het centrum behandeld. Daar vind je ook heerlijke wetenswaardigheden als die hierboven aangehaalde anekdote over de belastingman. Het boek lezen is vooral een kwestie van je laten verrassen, iets opzoeken is door de wilde opzet bijna niet te doen.

Perzische tapijten en wierook

Toen in 1977 punk zich aandiende, ging bij Paradiso het roer meteen om. De Melkweg hield veel langer vast aan de hippiecultuur. Pas in de jaren 80 brak daar een nieuwe tijd aan. Geciteerd wordt een Parool-artikel uit die tijd waarin de verslaggever enthousiast noteerde: ‘De nadrukkelijke wierooksfeer, de Perzische-tapijtellende van de beginjaren is verdwenen.’

Gaandeweg begon de Melkweg ook een eigen muzikale identiteit naast het grotere en populairdere Paradiso te ontwikkelen. Afrikaanse muziek had er al snel een podium, later was de Melkweg sterk in niche-genres als skatepunk, emo en metal. Verantwoordelijke programmeurs worden er in het boek over geïnterviewd of schreven zelf bijdragen.

NRC-medewerker Saul van Stapele buigt zich in het boek over hiphop in de Melkweg en constateert dat het tussen die twee zeker geen liefde op het eerste gezicht was: er bestond niet alleen een diepe culturele kloof tussen de Melkwegmedewerkers en de hiphopartiesten en hun boekers en managers, maar ook tussen de medewerkers en het jonge publiek dat op de hip­hopconcerten afkwam. Maar ook dat is goed gekomen. Van Stapele noemt de Melkweg een huiskamer van de hiphop en schrijft: ‘In 50 jaar Melkweg zit bijna 35 jaar hiphopgeschiedenis.’

P osters uit eigen zeefdrukkerij

Helaas wel heel klein afgedrukt is de selectie van (concert)posters van de Melkweg, die net als bij Paradiso in een eigen zeefdrukkerij werden gemaakt. Elders in het boek zien we een poster voor het Vrouwenfestival van 1979. Te zien daarop is een geopende vagina.

Zou je nu moeten proberen, denk je dan, maar ook toen waren er negatieve reacties, ook uit eigen kring. Zoveel zelfs dat besloten werd een tweede poster te maken en op dezelfde plaatsen te verspreiden. Uit een toenmalig persbericht van het Vrouwenfestival: ‘Het is geen vervangende poster, maar een aanvullende, dat wil zeggen dat het voor die vrouwen bedoeld is, die niet tegen de poster met de grote kut kunnen.’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Muziek