Assen is de eerste gemeente in Drenthe die start met basisbanen. Grietje Kiers (57) en Mark Jongstra (39) hebben sinds kort zo’n baan en vertellen openhartig wat dit voor hen betekent.

‘Ik voel me weer nuttig’

Grietje Kiers (57) komt in 2015 opnieuw werkloos thuis te zitten. De boodschap van het Werkplein Drentsche Aa is een klap in haar gezicht: probeer wat leuks te gaan doen, vast werk zit er niet meer in. Tranen lopen over haar wangen als ze vertelt. „Ik was begin vijftig, maar ik voelde me al afgeschreven.”

Een grijze ochtend in de Asser wijk Noorderpark. In het kantoortje naast de ingang van wijkcentrum De Componist brandt licht. Het is het domein van Kiers. Hier voert ze sinds enkele weken nieuwe werkzaamheden uit. Haar opdracht? Voor verbinding zorgen in de wijk. Een reuzenstap is al gezet: rondom De Componist is begonnen met de aanleg van een ontmoetingstuin. Het ontwerp komt van de hand van Kiers.

Onder het bureau ligt hond Dorian te maffen. „Tijdens de gesprekken zei ik dat ik Dorian wel uit moest laten tussen de middag. Ze zeiden: waarom neem je hem niet mee naar kantoor?”

Wijkgebouwbeheerder Peter Koekoek komt binnenvallen. Hij geeft de trouwe lobbes een aai over de bol. ,,We zijn superblij met Grietje. Iedereen loopt met haar weg. Zet dat er maar in.” Kiers is zelf ook maar wat blij met de basisbaan. „Het geeft me een boost. Ik ben vrolijker en heb veel meer energie.”

En dat is wel eens anders geweest.

Lichamelijke klachten en grote teleurstelling

Kiers, geboren en opgegroeid in Oranje, kampt al op jonge leeftijd met hinderlijke rug- en nekklachten. Later komen daar nog fybromyalgie (pijn in bindweefsel en spieren), hartritmestoornissen en nekartrose bovenop. Ondertussen slikt ze in de bloei van haar leven een flinke teleurstelling: het lukt haar niet om kinderen te krijgen. Ze scheidt van haar man en vertrekt naar Assen. Daar probeert ze zo goed en zo kwaad als het gaat een bestaan op te bouwen.

Werk vinden is niet zo moeilijk, werk houden wel. Ze verslijt heel wat baantjes: van rechtbankbeveiliger tot telefoniste en van vlakdrukmonteur tot taxichauffeur. Elke keer spelen de lichamelijke kwalen haar parten. „Bij een reguliere baas voelde ik de druk om de acht uur van de werkdag vol te maken. Ik kwam elke dag kapot thuis. Ik heb twee keer een burn-out gehad.” Toch probeert Kiers iedere keer opnieuw werk te vinden. „Ik heb me vaak laten omscholen. Ik had wel de drive om telkens weer aan de slag te gaan.”

Zware periode thuis

Maar op een gegeven moment wil het echt niet meer. Het is 2015 en ze krijgt de confronterende boodschap van het Werkplein voor de kiezen. Ze ligt eraf. Althans, zo voelt het. Kiers meldt zich aan als vrijwilliger voor maatjesprojecten van Humanitas, Vaart Welzijn en Accare. Ook wordt ze penningmeester van de tuindersvereniging ATV Oranjebond. Maar ze mist het werk. Het ritme. Het ouwehoeren met collega’s.

Vijf jaar zit Kiers thuis. Een heftige periode. „Omdat ik geen kinderen heb, word je wereldje ineens erg klein.” Ze slikt. Tranen komen op. „Sorry, hoor.” Meteen springt Dorian bij haar op schoot. „Hij voelt het gewoon.”

‘Ik voel me weer nuttig’

En dan hoort ze begin dit jaar op de radio ineens over het project van de basisbanen in Assen. Ze bedenkt zich geen moment en meldt zich aan. Fijne gesprekken volgen. Ze wordt aangenomen voor 16 uur. „Meer lukt me gewoon niet meer.” Die 16 uur betekenen de wereld voor Kiers. Een loonstrookje iedere maand, maar ook pensioenopbouw, vakantiegeld en een dertiende maand. Het is haar niet te doen om het geld. „Ik heb weer de kans om me nuttig te voelen.”

‘Ik loop nu te zingen tijdens mijn werk’


loading

Hij wilde graag boswachter worden, maar belandt uiteindelijk als magazijnmedewerker in de fabriek. Mark Jongstra (39) worstelt enorm met zichzelf, helemaal als een dierbare vriend van hem plots overlijdt. Hij sluit zich jarenlang op in zijn huis, met de gordijnen dicht en de deurbel eraf. „Ik leefde als een kluizenaar.”

Hij is een beer van een vent. Schilderspet op, lange baard eronder. Een reflecterend hesje zit strak om zijn schouders. In zijn knuisten een lange prikstok en een blauwe vuilniszak, waarmee hij één of twee dagen per week het zwerfvuil te lijf gaat in het Anne Frank Park of bij het Achilles 1894-terrein in de Asser wijk Marsdijk.

De andere dagen leeft hij zich uit in tuintjes waar al tijden geen schoffel of hark doorheen is gegaan. „Oerwoudtuinen, noem ik die. Vaak zijn dat tuinen van mensen die zelf ook allerlei problemen hebben. Ik help ze dan.”

Complimenten

Maar hoe indrukwekkend Jongstra er ook uitziet, hij is best verlegen in de omgang met mensen. Laatst nog kreeg hij een compliment van een oudere buurtbewoner over het afval prikken. „Wat moet ik dan zeggen? Ik moet daar enorm aan wennen.” Ook een compliment over z’n baard gaat er maar moeilijk in. „Ik kom net bij de barbier vandaan. Even netjes maken voor de foto. Het had wat mij betreft mooier gekund.”

Maar, zo geeft hij toe, het is wel weer eens fijn om een compliment te krijgen.

‘Ik ontdekte het uitgaan’

Jongstra komt, zoals hij het zelf zegt, uit een probleemgezin. Daar wil hij niet teveel over uitweiden, maar wel dat hij al vroeg als ‘vaderlijk figuur’ moest optreden. „Ik heb een groot verantwoordelijkheidsgevoel naar andere mensen”, zegt hij daarover.

Als puber lijkt het hem machtig mooi om boswachter te worden. Natuur, vrijheid. Hij ziet het helemaal voor zich. Hij belandt op de Tuinbouwschool in Frederiksoord. Een succes wordt het niet. „Ik ontdekte het uitgaan. En daar moet je geld voor hebben.” Jongstra, rebels en ‘een bek als een scheermes’, stopt met de opleiding en hopt van het ene baantje naar het andere, tot hij op een gegeven moment een contract krijgt aangeboden bij een schoenenmagazijn. Hij is er op z’n plek en ontwikkelt een speciale band met de leidinggevende. „Een boom van een kerel. Hij was als een broer en een kameraad voor me.”

Zware periode

Enkele jaren later, Jongstra is ondertussen aan het werk in de fabriek, volgt een dreun van jewelste. Zijn voormalig leidinggevende, ‘broer’ en kameraad overlijdt plotseling. Een gebeurtenis die het leven van hem totaal ontwricht. „Ik begon over alles na te denken. Ik sloot mezelf op in huis. Gordijnen dicht, bel eraf, ik nam de telefoon niet meer op.” Een inktzwarte periode, waarbij hij ook naar de fles grijpt.

Pas na een jaar of drie durft Jongstra zich weer onder de mensen te begeven. Hij pakt de draad op weer in het magazijn van de fabriek waar hij eerder al werkte. Hij loopt zich het vuur uit de sloffen, maar ondertussen ontfermt hij zich ook over collega’s die eveneens in een moeilijke situatie zitten. „Ik vind het makkelijker om mensen met een rugzakje te begrijpen. Als ik met een wethouder moet praten, vind ik dat veel lastiger.”

‘Zingen tijdens het werk’

Maar de basis blijft wankel. Hij valt uit, gaat weer aan de slag en verkiest vervolgens opnieuw voor een langere periode het kluizenaarsbestaan. Tussendoor verricht hij hand- en spandiensten als vrijwilliger bij de Noorderbegraafplaats en kinderboerderij De Beekdalhoeve. Via het Werkplein lukt het ‘m niet om aan passend werk te komen. „De communicatie werkte gewoon niet.”

En dan bonkt op een goede dag buurtwerker Ans op de ruiten. Of een basisbaan niet iets is. Aanvankelijk weifelt Jongstra, maar na een serie gesprekken is de zon weer helemaal terug in zijn leven. „Ik bouw rustig op, maar de bedoeling is uiteindelijk 32 uur.” Het werken in het groen bevalt ‘m goed. Over de verre toekomst denkt hij nog niet na. „Voor nu haal ik hier veel kracht uit. Ik loop af en toe te zingen tijdens het werk.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Drenthe