Brommers van Berini even terug in Emmen

In de jaren vijftig bepaalden bromfietsen voor een belangrijk deel het Nederlandse straatbeeld. Een op de vier brommerrijders zat op een Berini. In Emmen stond een fabriek waar deze voertuigen werden gemaakt. In dit pand is van 10 tot en met 24 september een tentoonstelling te zien over dit legendarische merk.

Dick de Olde (80) uit Emmen herinnert het zich nog goed. Hoe zijn aanstaande schoonvader bij hem kwam en hem attendeerde op de komst van Motorenfabriek Pluvier naar Emmen. ,,Dat was de fabriek die de veelverkochte Berini-bromfietsen maakte. Of dat werk niets voor mij was. Ik was meteen enthousiast’’, zegt De Olde. ,,Ik werkte al een jaar of acht bij mijn vader in de zaak. Hij had in Ossenzijl een smederij, met daarbij de verkoop en reparatie van onder meer rijwielen, kachels en bromfietsen. Het ging best goed, we zaten niet om werk verlegen. Maar werken in de fabriek die Berini’s maakte, dat sprak mij natuurlijk als jonge knaap wel aan! Ik solliciteerde en werd aangenomen. Man, wat was ik blij.’’

De Olde maakt deze maand zeker opnieuw de gang naar het fabriekspand aan de Albatrosstraat in Emmen. In het gebouw waar begin jaren zestig Berini-bromfietsen werden gemaakt, wordt een tentoonstelling gehouden over dit bekende merk. Wim Heeroma (77) uit Emmen is al maanden bezig met de voorbereidingen. Hij werkte nimmer voor Berini, maar raakt er niet over uitgepraat. ,,Toen ik 13 jaar was, reed ik al op zo’n brommer. Nee, natuurlijk mocht dat niet. Maar mijn moeder vond het goed. Als de politie mij aanhield, zei zij gewoon dat ik al 16 jaar was. Het is op die manier altijd goed gegaan. Ach, mijn moeder gunde mij die ritjes, ze hield ook zelf van brommer rijden en techniek. Wat dat betreft was ze totaal anders dan mijn vader, die had daar juist helemaal geen gevoel bij.’’

Voornamen

Als volwassene reed de in Amsterdam geboren en getogen Heeroma op tientallen verschillende brommers, scooters en motorfietsen. Maar nog altijd heeft hij het meeste gevoel bij dat ene brommermerk met die aansprekende naam: Berini. De naam mag dan Italiaans klinken, met dit Zuid-Europese land heeft Berini niets te maken. Heeroma: ,,De eerste Berini-bromfiets is ontwikkeld in de Parkstraat in Den Haag. Door de Duitser Bernhard Neumann en de Nederlanders Rinus Bruynzeel en Nico Groenendijk. De naam Berini is niets meer dan de afkorting van hun drie voornamen. Bernhard, Rinus en Nico, ofwel Be-Ri-Ni.’’

Heeroma zet een expositie op touw omdat hij graag zoveel mogelijk mensen wil laten zien hoe bijzonder het merk was. ,,Veel jonge mensen kennen Berini helemaal niet, maar het is de meest succesvolle Nederlandse brommer die er ooit is gemaakt. De producent, Motorfabriek Pluvier, was bovendien ook de enige Nederlandse brommerfabriek die zelf de motoren maakte. Het begon met een klein motortje dat mensen op de voorvork van hun fiets konden bevestigen, het zogeheten Berini-eitje. Daarna volgden echte brommers, in allerlei types en modellen. Ze werden gemaakt in Rotterdam en ook een periode in Emmen, in de Albatrosstraat. Helaas duurde het avontuur in Emmen niet zo lang, nog geen twee jaar. En weer een jaar later viel ook het moederbedrijf in Rotterdam om. Failliet.’’

loading  

Terug naar Den Haag, naar de Parkstraat waar het allemaal begon. In deze straat was de handelsonderneming Hart Nibbrig & Greeve gevestigd, importeur van buitenlandse motor- en automerken. Het was eind jaren veertig. De Tweede Wereldoorlog was voorbij, maar er heerste nog wel schaarste. Heeroma: ,,De bromfiets was dé oplossing voor het mobiliteitsprobleem. In Frankrijk kwam de Solex op, en even later de Mobylette. Bij Hart Nibbrig & Greeve in Den Haag waren de werknemers Neumann, Bruynzeel en Groenendijk in de avonduren bezig met de ontwikkeling van het motortje. ’’

Na enkele weken was de klus geklaard, het Berini-eitje lag op tafel. In het in 1991 uitgegeven boek Berini van de schrijver Servaas van der Horst vertelt Groenendijk, een van de drie pioniers, hoe de uitvinding aan de directie werd gepresenteerd. ,,Het eitje, bevestigd op een nieuwe Gazelle damesfiets, hadden we verborgen gehouden onder een wit laken. Toen iedereen er was, hebben we dat laken weggetrokken en begon het gekrakeel. Prachtig! Eerst dachten ze dat we een Italiaans motortje hadden geïmporteerd. We hadden de naam de dag ervoor in het tankje laten graveren. Die naam heb ik in twintig seconden verzonnen.’’

Eitje

Het motortje kreeg zijn bijnaam vanwege de vorm van de benzinetank. Die vorm was bij toeval ontstaan. Het allereerste tankje was gemaakt uit twee koplampen die Groenendijk op elkaar had gesoldeerd. Het 7 kilo wegende eitje kwam in 1949 op de markt en was meteen een daverend succes. Een top van 36 kilometer en een uiterst zuinig gebruik. Op één liter mengsmering kon je wel 70 kilometer rijden. Een eenvoudige klem met boutjes maakte het mogelijk om het eitje op iedere fiets te bevestigen. Voor de ontwikkeling van de eitjes werd een aparte firma opgericht: Motorenfabriek Pluvier. Het duurde niet lang of de werkplaats aan de Haagse Parkstraat was te klein. Aan de Sluisjesdijk aan de Maas in Rotterdam werd een compleet nieuw pand van 6700 vierkante meter gebouwd dat in oktober 1951 in gebruik werd genomen. In 1956 werd de band met het Haagse Hart Nibbrig & Greeve doorgesneden en stond Pluvier op eigen benen.

Aan de Sluisjesdijk in Rotterdam werd begonnen met de productie van eitjes via een lopende band. Hierdoor ging de productie flink omhoog. In 1950 werden negenduizend eitjes gemaakt. Het jaar erop, met in oktober de introductie van de lopende band, kwamen er 28.000 eitjes uit de fabriek. Pluvier was niet het enige bedrijf dat zich op de bromfietsmarkt stortte. Heeroma: ,,Veel fietsenfabrieken begonnen ook bromfietsen te maken, of rijwielen met hulpmotoren. Bedrijven als Gazelle, Batavus, Simplex, Locomotief en Germaan roken ook hun kansen. De slogan ‘Germaan, daar heb je wat aan!’ zal veel mensen misschien nog wel bekend in de oren klinken. Voor bromfietsen of fietsen met hulpmotoren was in die jaren een enorme markt. Lang niet iedereen kon zich tenslotte een auto permitteren.’’

Pluvier beperkte zich niet tot het maken van eitjes of varianten daarvan. In 1954 presenteerde de fabriek de M21. Dit was een heuse bromfiets. ,,De ontwikkeling van eitje naar bromfietsen ging bij Pluvier met vallen en opstaan’’, zegt Heeroma. ,,Bij de eerste M19’s bleek bijvoorbeeld al gauw dat de rolaandrijving niet goed werkte. Dat moest anders. De twee jaar later op de markt gebrachte M22, de allereerste Berini-versnellingsbrommer, werd zelfs een heuse sof. De constructie was onder de maat. Al deze brommers gingen terug naar de fabriek waar ze werden omgebouwd tot M21’s. Van die M21’s, die in verschillende uitvoeringen zijn gemaakt, zijn er in Nederland heel veel verkocht. Enkele goede afnemers waren de Rotterdamse politie en de PTT.’’

loading

Ook de in 1958 gebouwde Speed-O-Matic was een groot succes. Het was de periode waarin de overheid bepaalde dat bromfietsen niet harder dan 40 kilometer per uur mochten rijden. Veel fabrikanten reageerden op deze maatregel door hun bromfietsmotors af te knijpen. Hierdoor trokken deze brommers langzaam op en haalden zij bij tegenwind lang geen 40 kilometer per uur. Heeroma: ,,Pluvier kwam met een oplossing, de Speed-O-Matic. Een ronde schijf met een veertje en een klepje, waardoor de brandstoftoevoer verminderde. Hierdoor werd de maximumsnelheid beperkt, maar kon wel altijd het volle vermogen worden gebruikt. Handig als je een heuvel op moest, tegenwind had of wanneer er iemand achterop zat.’’

Emmen

In 1960 was de vraag naar Berini-bromfietsen zo groot, dat de leiding van Pluvier op zoek ging naar mogelijkheden voor een tweede vestiging. Die zoektocht eindigde in Emmen, het zanddorp dat zich na de Tweede Wereldoorlog dankzij allerlei rijkssubsidies in sneltreinvaart had ontwikkeld tot een industriekern van formaat. Die subsidiemogelijkheden spraken uiteraard ook de leiding van Pluvier wel aan. De gemeente kreeg te horen dat voor een fabriek in Emmen in eerste instantie zo’n 100 werknemers nodig waren, maar dat dit aantal in de jaren daarna wel eens kon groeien richting de 250. Er was Emmen dus veel aan gelegen Pluvier binnen te halen. De gemeente bood aan een hypotheek te verstrekken van maximaal 85 procent van de koopsom.

Op 22 juni 1960 keurde de raad van commissarissen van Pluvier het plan voor de oprichting van een tweede bedrijfsvestiging in Emmen goed. Aan de Albatrosstraat zou een gloednieuw bedrijfspand worden gebouwd. De vestiging ging in eerste plaats fungeren als toeleveringsbedrijf van plaat-, las-, en lakwerk voor de fabriek in Rotterdam en ook zouden er bromfietsen in elkaar worden gezet. Het maken van motoren bleef het werk van de fabriek in Rotterdam. Het Drents Economisch Technologisch Instituut (DETI) was enthousiast en noemde de financiële medewerking van de gemeente Emmen ‘volkomen verantwoord’. De solvabiliteit, het rendement en de rentabiliteit van Pluvier waren volgens de DETI ‘zeer goed’ te noemen. En door de grote bedrijfswinsten zou de ‘minder gunstige’ liquiditeitspositie binnen afzienbare tijd stelselmatig verbeteren.

loading

In juli 1960 ging de gemeenteraad akkoord met het verstrekken van een hypotheek van ruim 1,3 miljoen gulden. Later dit jaar vroeg Pluvier de gemeente om dat krediet met een miljoen te kunnen verhogen. Opnieuw boog de DETI zich erover. Die bleef ongemeen positief en wees de gemeente erop dat de plannen van Pluvier in Emmen waren veranderd. Het bedrijfsoppervlakte van de fabriek werd geen 5000, maar 9200 vierkante meter. Ook de te verwachten werkgelegenheid was aanmerkelijk groter geworden. Binnen enkele jaren dacht Pluvier in Emmen zo’n 500 mannelijke arbeidskrachten nodig te hebben, aldus DETI-directeur Cornelis Voormolen. In februari 1961 ging de Emmer gemeenteraad akkoord met de gewenste verhoging van de hypotheek.

Het was precies de maand waarin de al eerder genoemde Dick de Olde uit Ossenzijl bij Pluvier aan de slag kon. ,,Het sollicitatiegesprek in december 1960 was blijkbaar goed verlopen’’, zegt de Emmenaar. Op tafel in zijn appartement liggen de brieven van Pluvier die hij in die periode kreeg. De fabriek in Emmen was nog lang niet klaar en Pluvier stelde de smidszoon voor om alvast in de fabriek in Rotterdam aan de slag te gaan. Dan raakte hij alvast vertrouwd met de werkzaamheden in ‘een typisch productiebedrijf’. Het loon: 94 gulden bruto per week, bij een 45-urige werkweek. De helft van de reiskosten van en naar huis mocht hij declareren.

De Olde ging in op het aanbod en vertrok naar Rotterdam. ,,Ik kwam uit een beschermd gezin uit een klein dorp en opeens zat ik in de grote stad tussen allemaal gehaaide kerels. Ik had echt het gevoel dat ik voor de leeuwen werd gegooid. Ik belandde in een slecht kosthuis. Ik kreeg niet veel en ook niet goed te eten in het gastgezin. Het duurde niet lang of ik was 4 kilo afgevallen.’’ De Olde werkte op meerdere afdelingen en keek zijn ogen uit. ,,Ik had het er best naar mijn zin. Wat wel opviel is dat veel mensen in Rotterdam helemaal niet blij waren met de plannen voor een nevenvestiging in Emmen. Dat werd beslist geen kleine fabriek. De angst bestond dat Rotterdam op termijn hierdoor werk kwijt zou raken. Al zagen sommige personeelsleden de uitbreiding als een kans om een leidinggevende functie te krijgen.’’

Wat De Olde opviel, was dat er werd gestolen op de fabriek in Rotterdam. ,,Je werkt op zo’n fabriek natuurlijk met geliefd materiaal. Steekproefsgewijs werden bij de uitgang controles gehouden. Ik herinner me nog een collega die daar tegen de lamp liep. Hij had een houten been en daarin bleek hij een flinke hoeveelheid schroefjes te hebben verstopt.’’ Na een half jaar in de havenstad te hebben gewerkt, kon De Olde als voorman op de afdeling montage bij Pluvier in Emmen aan de slag. Hij ging in de kost bij een gezin in de wijk Emmermeer en kreeg kort daarna bericht dat er in deze wijk een gloednieuwe flatwoning voor hem beschikbaar was aan de Varenkamp 73. ,,Dat was natuurlijk geweldig. Dat betekende dat ik kon samenwonen met Antje, mijn huidige vrouw. Vergeet niet, het was de periode van woningnood. Op 10 oktober in 1961 trouwden we en konden we naar ons eerste huis.’’

loading

Aan de Varenkamp ontmoette het pasgetrouwde stel Leo en Geesje Heijblom, dat daar eveneens ging wonen. De nu 76-jarige Leo Heijblom was ook voor de fabriek in Emmen aangenomen door Pluvier. ,,Ik kom van oorsprong uit Utrecht en werkte daar als tiener wel eens ‘s avonds bij een bedrijf dat in opdracht van Pluvier bromfietsonderdelen spoot. Dat gebeurde in tijden dat de fabriek in Rotterdam het werk zelf niet aankon. In 1958 ben ik met mijn ouders verhuisd naar Valthermond. Mijn vader en ik gingen daar werken bij Plastic Lining, een bedrijf dat tanks en bierfusten van een coating voorzag. Na mijn militaire dienst meldde ik mij op mijn 21ste als sollicitant bij Pluvier, dat toen naar Emmen wilde. Mijn ervaring met het spuiten van Berini’s in die spuiterij in Utrecht was toen natuurlijk een pré. Ik werd aangenomen. De fabriek in Emmen was nog lang niet gebruiksklaar, alles was leeg. Ik ging aan de slag om de spuiterij in te richten.’’

Niet soepel

Er werd enthousiast gewerkt, maar echt soepel ging het allemaal niet. De bouw liep aanzienlijke vertraging op en de fabriek ging later open dan gepland. In november 1961 werkten er 123 mensen. Van deze groep waren er 117 in Emmen aangetrokken, de overige zes kwamen uit Rotterdam. De productie draaide nog niet op volle kracht. De afdelingen framebouw en de perserij bevonden zich nog in een aanloopstadium en konden volgens Pluvier pas begin maart 1962 ten volle worden benut. Geregeld moest de productie worden stilgelegd. ,,De planning liet te wensen over. Dan waren er bepaalde onderdelen weer eens niet. Zeer beroerd, zeker als je met een lopende band werkt’’, zegt Heijblom.

In het boek van Servaas van der Horst wordt Kuyken, de chef van de lopende band in Emmen, geciteerd. ‘In eerste instantie was er niet eens een lopende band’, vertelt hij. ‘Toen die later wel kwam, bleven de problemen bestaan. Het gebeurde vaak dat we honderden brommers in de hoek hadden staan, helemaal klaar, op het achterspatbord na. Die waren ze dan in Rotterdam vergeten mee te sturen.’ De Olde knikt als hij het verhaal van Kuyken hoort. ,,Zo ging het soms en dat was heel frusterend.’’ Heeroma heeft verhalen gehoord dat het personeel in Rotterdam er bewust voor zorgde dat de nevenvestiging in Emmen in problemen kwam. De Olde: ,,Sabotage? Ik weet niet of dat gebeurde. Ik heb daar in ieder geval geen enkel bewijs voor.’’ Heijblom: ,,Van enige naijver was in Rotterdam volgens mij wel sprake. De fabriek in Emmen was zelfs groter dan die in Rotterdam. Maar ik heb niet de indruk dat bewust is geprobeerd om de vestiging in Emmen in het nauw te brengen.’’

Volgens De Olde werden de productieproblemen in Emmen na verloop van tijd minder. Heijblom: ,,Maar toen kwam er een ander en veel groter probleem. De markt voor bromfietsen stortte in. Steeds meer mensen konden zich een auto veroorloven. Veel ouderen schaften zich een autootje aan en de bromfiets werd meer en meer het vervoermiddel voor de jeugd. Maar die wilde helemaal geen Berini. Jongeren vonden die bromfietsen veel te stijf. De jeugd had liever sportieve brommers zoals de Puch, de Kreidler of de NSU. Die waren, in tegenstelling tot de Berini, ook in een handomdraai op te voeren. Berini was in hun ogen echt te braaf. Pluvier probeerde het tij nog wel te keren met modernere modellen, maar dat hielp allemaal niets. De voorraden in de fabriek stapelden zich op.’’

loading

Op slot

Luc Aalderink (76) uit Emmen werkte een jaartje in de lakkerij van Berini in Emmen, van september 1961 tot september 1962. ,,Het pakhuis stond op een gegeven moment tot de nok toe vol. Maar toch moest ik op het laatst nog overwerken, daar snapte ik niets van. De voorraden werden groter en groter.’’ In 1962 werden zowel in Emmen als Rotterdam mensen ontslagen. Verhalen in verschillende dagbladen dat Pluvier in een dubieuze financiële positie verkeerde, werden door de top van het bedrijf evenwel met klem ontkend. In Het Vrije Volk van 7 februari 1963 valt te lezen dat zelfs de vakbonden verbaasd waren toen Pluvier die week bekend maakte dat de fabriek in Emmen op slot ging. De week daarvoor was er met de bonden nog gesproken over loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel. De bedrijfsleiding verzekerde ook toen nog dat van een vertrek uit Emmen in het geheel geen sprake was.

Het fabriekspand in Emmen werd verkocht aan de AKU, die aangaf dat het overbodige Pluvier-personeel bij haar in dienst kon treden. ,,Ik was een van de laatsten die bij Pluvier in Emmen vertrok. Terwijl wij de fabriek leeg maakten, zette de AKU haar spullen er al in. Dat was wel een heel droevige toestand’’, zegt De Olde. Pluvier loste de hypotheek af en de gemeente maakte bekend geen enkel financieel nadeel te ondervinden van het vertrek van Pluvier. Uiteraard werd het sluiten van de fabriek op het gemeentehuis betreurd. Uit een brief die Pluvier-topman Hans Gerhard Müller in mei 1963 aan de Emmer burgemeester Dick Gaarlandt stuurde, blijkt dat Pluvier nog even heeft gekeken of de afdeling framebouw zich in Klazienaveen kon vestigen. Dit ging uiteindelijk niet door. Het leek Muller voor de continuïteit van het bedrijf beter om die ook in Rotterdam neer te zetten.

In de brief aan de Emmer burgemeester trekt de topman het boetekleed aan. ‘Ik moet toegeven dat wij de verkoopmogelijkheden van bromfietsen in Nederland en de toekomstige ontwikkeling daarvan enige jaren geleden geheel verkeerd hebben beoordeeld’, schrijft Müller letterlijk. Het retourtje Emmen kostte Pluvier zo’n zeven miljoen gulden. Na een mislukte poging om te fuseren met Suzuki ging Motorenfabriek Pluvier NV in Rotterdam failliet. Oud-werknemer Luc Aalderink uit Emmen had toen allang weer ander werk gevonden. Hij koos voor een bestaan als zelfstandig groenteverkoper en werkte daarna nog vele jaren in de horeca. Dick de Olde ging naar de Emmer tankfabriek Holvrieka en werkte daar als werkvoorbereider tot zijn pensioen. Leo Heijblom, die bij Pluvier al snel voorman werd, had meerdere werkgevers na zijn Pluvier-tijd. Hij werkte ook enige tijd in het buitenland als coatingadviseur in de scheepsbouw. De Olde en Heijblom wonen niet meer in het flatje aan de Varenkamp, maar hebben nog altijd nauw contact. Beide heren werden in die korte periode bij Pluvier goede vrienden en zijn dat nog steeds. En dat allemaal dankzij die korte periode in de fabriek met die brommers met die bijzondere naam.

De tentoonstelling

De Berini-tentoonstelling wordt op zaterdag 10 september om 14 uur geopend door Christina Bruynzeel en Rob Groenendijk, nazaten van de grondleggers van het bekende brommermerk. Op de tentoonsteling zijn vele tientallen Berini-bromfietsen te bezichtigen, vrijwel alle modellen die er ooit zijn gemaakt. Ook zijn er ontwerptekeningen van modellen die nooit zijn gebouwd en bromfietsonderdelen. Er worden verschillende films over Berini vertoond. De tentoonstelling in de voormalige Berini-fabriek aan de Albatrosstraat 6 loopt tot en met zaterdag 24 september. Op werkdagen zijn de openingstijden van 10.00 tot 16.00 uur, in het weekend van 11.00 tot 16.00 uur. De entree is gratis, een gift om de kosten te dekken wordt op prijs gesteld.

Bankroet

Pluvier bankroet. En toen? Een dag na het faillissement van Pluvier kocht Anker Kolen Maatschappij de inboedel en richtte speciaal daarvoor de Anker Motorenmaatschappij op. Enkele jaren daarna werd Berini overgenomen door Gazelle. De Berini-fabriek in Rotterdam werd na die transactie ontmanteld en in 1967 verhuisden alle productiemiddelen naar het Limburgse Eygelshoven. Daar werden alleen de motortjes gebouwd, de frames kwamen van Gazelle uit Dieren. Op de brommers uit die periode staan de letters ‘Berini van Gazelle’. Het ging om ‘boodschappen-brommertjes’, met een mandje voorop. In het begin van de jaren tachtig werd de complete inventaris door Zuid-Koreanen gekocht en naar dat land verscheept. Zowel in Zuid-Korea als India werden daarna nog enige tijd Berini’s gemaakt. De merknaam Berini is momenteel volgens Heeroma in bezit van een fietsenmaker uit Rotterdam.

menu