Foto Archief DvhN

Column Daniël Lohues: Pinksteren '50

Foto Archief DvhN

Eind mei 2050. Een man loopt onrustig door zijn huis. Aan de tafel zit een jongen. De man zegt dat hij even naar de zolder loopt om het boek te halen. De jongen knikt. Als de man hijgend weer beneden is met een stoffig boek in zijn hand, veert de jongen op. Hij heeft nog nooit een bijbel gezien.

De man bladert wat en leest voor: „Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en het vulde het hele huis, waar zij zaten. Op hun hoofden vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken.”

De jongen kijkt de man met grote ogen aan en vraagt of dat echt gebeurd is. De man moet lachen en vertelt dat het gebeurd zou kúnnen zijn. Dat Jezus leerlingen had die besloten hadden om de goede boodschap van hun Heer te gaan verkondigen. „Maar dat moet je in die tijd zien”, zegt de man tegen de jongen. Het is even stil. Dan vraagt de jongen welke tijd dat dan was. „Ja, dus ongeveer ehm, ja hoe oud werd Jezus. Nou ja, 34 geloof ik, dus dit was in het jaar ‘34”, lacht de man.

De jongen schudt zijn hoofd. Hij neemt een slok water en vraagt: „Dus maar iedereen geloofde hierin, zeg twintig jaar geleden?” De man slaat de bijbel dicht en zegt dat de meeste mensen toen geen idee meer hadden waar Pasen, Hemelvaart en Pinksteren over gingen. Dat het vrije dagen waren waarop mensen de auto pakten en naar meubelboulevards gingen.

„Dat waren hele grote winkels bij elkaar waar je meubels en andere onzin kon kopen, het klinkt nu onvoorstelbaar, maar dat was in die tijd heel belangrijk, of je wel nieuwe meubels en dat soort gedoe had. Een heleboel mensen hadden daar ook wel geld voor. Nieuwe auto’s, toen nog gewoon, ja onvoorstelbaar, op benzine! Nieuwe meubels, binnen en buiten. En op vakantie. In de winter naar de sneeuw en in de zomer naar de zon. Je kunt het je niet voorstellen, maar zo ging dat toen.”

Weer is het even stil. De jongen vraagt of de mensen toen gelukkig waren. De man zegt van niet. Dat ‘gelukkig zijn’ ook maar een overgebleven streven is uit die tijd. „Iedereen had het toen altijd over genieten en gelukkig zijn, maar ondertussen ging alles naar de kloten”, zegt de man zacht. De jongen moet lachen. „Naar de kloten”, zegt hij de man langzaam na. „Die uitdrukking heb ik nog nooit gehoord.”

De man begint weer onrustig rond te lopen door de kamer. „Dat moet je ook in die tijd zien. Toen kon je alles zeggen. De grofste grappen en de flauwste onzin, alles kon gezegd worden. Dat was juist heel goed aan die tijd. Maar ik ruim die bijbel weer snel op. Nooit tegen iemand zeggen dat ik er nog een heb hoor!”

Buiten klinkt de oproep tot gebed. De jongen zegt gedag, doet zijn mondkapje voor en loopt naar buiten.

menu