Column Rosa Timmer: ‘Die man'

Foto: Archief Corné Sparidaens.

Als je ouder wordt, zie je pas helder in wat voor gezin je bent opgegroeid. Ik dacht altijd dat wij best doorsnee waren. Het was voor mij gewoon dat mijn moeder jarenlang niet meeging op kampeervakanties (omdat ze een hekel had aan nat gras). En heel normaal dat mijn vader standaard ‘die man' werd genoemd. Naar de SIRE-reclame waarin een kindje zich dromerig afvraagt: ,,Wie is toch die man die op zondag altijd het vlees komt snijden?''

Ze cultiveerden dat ook. Mijn moeder hing al in de gordijnen als mijn vader een kwartier te laat thuiskwam. Niet omdat ze bezorgd was, maar omdat ze zat te wachten tot hij eten voor ons ging koken. Zij was immers aan het lezen.

Ik vond het ook niet vreemd dat we nooit spelletjes deden. ,,Kun je dat niet alleen doen?'', vroeg mijn moeder toen ik eens wilde ganzenborden. Daarop verzon ik een vriendinnetje, ‘Lisa'. Ik liet haar de dobbelsteen gooien, sprak haar reactie uit toen ze verloor en mieterde daarbij zelfs theatraal alle pionnen door de kamer. Ik weet nog dat mijn moeder naar haar hoofd greep en foeterde: ,,Wat een lawaai!''

Logisch dus, dat ik nu dingen doe die in mijn jeugd hadden moeten gebeuren. Naar de Efteling dus. Ik durf al heel mijn leven in geen enkele attractie omdat mijn moeder bang is, maar het is tijd om toe te geven dat we niet helemaal hetzelfde zijn. Met hartkloppingen stapte ik in het karretje van een houten achtbaan. Zo een waarvan één losse schroef een catastrofale ineenstorting van een bouwwerk zou betekenen.

Het werd het ritje van mijn leven, en ik maakte er zelfs nog een toen het klaar was. De adrenaline werkte zo verslavend dat ik een keer of tien bleef zitten. Mijn gegil werd er niet minder om, waardoor kleine kinderen die normaal in de achtbanen durfden, ineens heel bang waren en zich huilend uit de rij losrukten.

Sorry, ik had wat te verwerken.

menu