De eikenprocessierups rukt op.

De eikenprocessierups rukt op (en het kan nog veel erger worden)

De eikenprocessierups rukt op. Foto: Rens Hooyenga

Precies tien jaar geleden kwam de eikenprocessierups in Drenthe en Zuidoost-Friesland. Sindsdien is de populatie geëxplodeerd. Als we niet meer doen wordt het nog erger, waarschuwt onderzoeker Silvia Hellingman.

L angs de weg in Wapserveen staat een zwarte Land Rover. Voorop een bordje: EPR-onderzoek. Dat moet haar zijn: Silvia Hellingman, de vrouw die de eikenprocessierups voor het eerst in Drenthe signaleerde.

Hellingman (64), type: kordaat, gepassioneerd, intelligent, geen blad voor de mond, stapt uit. Goed aangekleed, want je weet het nooit met die eikenprocessierups, EPR in vaktaal.

loading

Overal sporen

De bomen aan de Van Helomaweg laten volgens haar goed zien hoe we er in Drenthe op rupsgebied voor staan. „Kijk!”, roept ze om de haverklap. Hoewel geen van de bomen het kenmerkende rood-witte lint heeft, kan Hellingman overal sporen van de eikenprocessierups aanwijzen. „Moet je zien. Hoe langer je blijft kijken, hoe meer je ziet. Daar, daar..” Hellingman telt hardop mee. „In de gauwigheid kom ik hier op 23 nesten.”

Al twintig jaar houdt Hellingman zich bezig met de eikenprocessierups. Ze heeft een eigen onderzoeksbureau en is verbonden aan het Kenniscentrum Eikenprocessierups van de Wageningen Universiteit.

Zij was het, die de provincie en de Drentse gemeenten in 2008 waarschuwde voor de op handen zijnde opmars van de rups met zijn jeuk veroorzakende brandhaartjes. Sindsdien pleit ze voor een gezamenlijke aanpak van de plaagrups, op meerdere fronten. „Dit is passie”, zegt ze. „Carrière hoef ik niet meer te maken. Dit doe ik uit ideologie. Ik wil iets doen met toegevoegde waarde.”

Ze voelt zich soms niet serieus genomen met haar voorspellingen. Maar, zo heeft het afgelopen decennium bewezen, meestal heeft ze gelijk. „Ik vind het frustrerend dat het uit de hand loopt. We hadden het onder controle kunnen houden. Er komt een moment dat de leefbaarheid onder druk komt te staan”, waarschuwt ze. „Met de storm zijn veel rupsen van de bomen gewaaid. Die gaan zelfs de huizen in als je niet uitkijkt. Ik kom net van een school in Nijensleek, daar zaten ze overal – zelfs onder de tafel.”

Het eerste nest in Havelte

In juni 2009 zien we de rups voor het eerst in Drenthe. Het eerste nest wordt ontdekt in Havelte. Niet veel later zijn er nesten in Westerveld, Meppel, de Wolden. Hoogeveen en de Stellingwerven. „Het waren er 43”, weet Hellingman nog.

„Dat vonden we toen al heel wat. Allemaal kwamen ze kijken: wethouders, beleidsmedewerkers.” Provincie en gemeenten zijn vastbesloten de opmars van de eikenprocessierups te stoppen. „We zullen ze niet verder het Noorden in laten komen, was toen het credo.”

Hellingman staat prompt stil en onderbreekt haar verhaal. „Kijk.” Op de boomstam zit, op enkelhoogte, een grijs plakkaat. Allemaal processierupsen. „Ongeveer tweeduizend”, schat ze.

Leefomstandigheden

Processierupsen passen zich aan aan de leefomstandigheden. Bij hitte klitten ze samen en zoeken ze hun weg naar de grond. Met het wisselvallige weer van de laatste tijd verspreiden ze zich. Dan zoeken de rupsen beschutting.

„Dit is overleving”, wijst ze, met haar blik op een kaalgevreten eik. De eikenprocessierups blijkt een echte ‘tough guy’: hij kan zes weken overleven zonder eten en wacht geduldig tot de boom nieuwe blaadjes krijgt.

Als de weersomstandigheden te slecht zijn, zet de rups zijn ultieme wapen in en verstopt hij zich onder de grond. Dat gebeurt vooral bij bomen die vol in de zon staan en weinig beschutting bieden. „Dan verpoppen ze niet, maar wachten ze af. Zo kan de rups, ook op plekken waar is bestreden, weer opduiken.”

Hoofdbrekens

De grillige rups stelde overheden de laatste jaren voor hoofdbrekens. Drenthe is de meest eikenrijke provincie van het land: voor de processierups een ideale infrastructuur om zich snel te vermenigvuldigen.

Om de rups te bestrijden moet je weten waar en hoeveel ze voorkomen. Daarom kwam er een gezamenlijke afvanglijn. Een soort verdedigingslinie van feromoonvallen. De mannetjesvlinder denkt dat in de vallen een vrouwtje wacht om mee te paren. Maar in plaats daarvan sterft hij een wisse dood.

„In het eerste jaar ging iedereen gretig aan de slag met het weghalen van de nesten”, zegt Hellingman. „Vorig jaar verwijderde één aannemer meer dan 20.000 nesten. Ik wil niet weten hoeveel er zijn blijven zitten”, huivert ze. Een simpel rekensommetje leert dat de rups uit 2008 zich in tien jaar minstens 465 keer vermenigvuldigd heeft.

Broodwinning

Hovenier en boomverzorger Roel Timmerman uit Dieverbrug is vanaf het prille begin betrokken bij de processierupsbestrijding. Tien jaar geleden kon hij niet bevroeden dat de rups zo’n belangrijk deel van zijn broodwinning zou worden.

Timmerman wordt door veel noordelijke gemeenten ingehuurd om de bomen preventief te bespuiten of de nesten te ruimen. Het hele jaar door zijn er ongeveer vijftien man mee bezig. Signaleren, bespuiten, afvangen, ruimen.

loading  

Timmerman herinnert zich die begintijd nog goed. Pionieren. „We zijn nog naar het Zuiden afgereisd om te kijken wat wel en niet werkt.” Timmerman bedacht een processierupsproefstation: een hok met jonge eiken, waar hij precies in de gaten houdt hoe de rups zich jaarlijks ontwikkelt.

„Qua bestrijding is er niet zoveel veranderd. Behalve dat het nu de spuigaten uitloopt. Gisteren ontdekten mijn collega’s in drie bomen 76 nesten. En dan zijn ze nog niet eens helemaal klaar. Het is dweilen met de kraan open.”

Kleine aaltjes

Hellingman ontwikkelde een preventiemethode. In de maanden voordat de processierups brandharen ontwikkelt, worden bomen bespoten met microscopisch kleine aaltjes. De aaltjes eten de rups van binnenuit op.

De methode wordt inmiddels veel toegepast, maar ook daarbij rijst een probleem. Eerder leverde bespuiten een boom op die 80 tot 100 procent schoon was. „Maar daar kom je niet meer aan. In het begin was de plaagdruk niet zo hoog. Doordat de schaal zoveel groter is, blijft er meer oppervlak over waar het niet voldoende werkt”, zegt Timmerman.

Hetzelfde geldt voor de biologische aanpak met natuurlijke vijanden van de rups, zoals de koolmees. „Steeds meer vogels ontdekken de rups”, zegt Hellingman. „Maar het zijn er te veel om allemaal op te eten.”

Bezuinigen

Waar ging het mis? „De afvanglijn hield de populatie min of meer in stand. Daarna begonnen gemeentes te bezuinigen op de monitoring, of ze stopten er helemaal mee”, verklaart Hellingman.

 De verdedigingslinie begon gaten te vertonen. „Er bleven veel vlinders in leven. Tegenover elk vrouwtje staan gemiddeld anderhalf tot twee mannetjes. Je kan precies zien wanneer die afvanglijn gestopt is. Elke gevangen mannetjesvlinder scheelt al een hoop.”

Hellingman heeft niet de illusie dat de afvanglijn de opmars van de rups had gestopt. ,,Maar ik geloof stellig dat het veel minder waren geweest.”

Sluitpost

Zowel de monitoring als de bestrijding van de eikenprocessierups zijn een kostbare aangelegenheid. „Maar het bespaart ook veel geld”, denkt Hellingman. „Als je ziet waar we op afkoersen: we komen in een situatie dat je, door de enorme aantallen rupsen, nog meer kosten moet gaan maken.”

Onlangs besloot bijvoorbeeld de gemeente Hoogeveen, met een drukkend begrotingstekort van 9 miljoen euro, te stoppen met bestrijding van de rups in het buitengebied. „Groen is dan de sluitpost. Ik neem het de gemeenten niet kwalijk”, zegt de onderzoeker. „De provinciebesturen wel.”

Volgens Hellingman kunnen de noordelijke provincies nog wat leren van de provincie Gelderland. „Hier ruimen ze de nesten, omdat het een wettelijke verplichting is. Maar de provincie zou moeten durven experimenteren met projecten voor biodiversiteit en de gemeenten financieel ondersteunen bij de monitoring.” Met de monitoring stopte de provincie al vroeg, waardoor signaleren van de plaagdruk moeilijk is.

loading  

Gecombineerde aanpak

Volgens Hellingman is het beheersen van de plaagrupspopulatie mogelijk. „Om het goed te doen is een kruiwagen met geld nodig. Je mag ze niet massaal vangen van de wet.”

Hellingman ziet daarom het meest in een gecombineerde aanpak, op alle fronten. „Bespuiten met aaltjes, werken aan de biodiversiteit (onder andere de koolmees en de sluipwesp zijn natuurlijke vijanden van de rups, red.), vangen en ruimen.” Zij blijft ondertussen zoeken naar nieuwe manieren om de rups te bestrijden, binnenkort zelfs op Europees niveau.

Als zij het voor het zeggen had wist ze het wel. „Ik had alle eiken bij kwetsbare plekken, zoals bijvoorbeeld scholen, weggehaald en vervangen door andere bomen. We hebben meer dan een miljoen eiken, met het weghalen van een paar duizend ervan reduceer je de risico’s.”

Mee leren leven

Timmerman en Hellingman weten het zeker: met de eikenprocessierups moeten we leren leven en waarschijnlijk krijgen we er steeds meer last van. „Ik zie het aantal klachten van particulieren toenemen. Mensen die mij bellen omdat zij, hun kinderen of dieren, onder de bultjes zitten.”

De rups veroorzaakt vooral schade aan het toerisme in de provincies, denken ze. „De lintjes om de bomen geven een negatief beeld”, zegt Timmerman. „In Coevorden is het bijvoorbeeld heel erg. Daar zit het eronder. Als we nog eens tien jaar verder zijn en het gaat daar zo door, dan is het geen pretje om er te wonen.”

Helligman vreest voor onhoudbare situaties. „Dat bepaalde gebieden zo vol komen te zitten dat mensen gillend weggaan. Dat kunnen we niet hebben, we leven hier voor een groot deel van toerisme.” De gelatenheid van politiek, publiek maar ook bijvoorbeeld de GGD verbaast Hellingman nog steeds. „Ingrijpen gebeurt alleen voor het oog van de wereld. Gemeenten doen hun best, maar het is niet genoeg. Blijkbaar moet je ermee in aanraking komen om de noodzaak in te zien.”

menu