Tussen 21 maart en 21 juni 1951 arriveerden twaalf transporten met Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in Nederland. De meesten van hen keerden nooit terug naar hun thuisgrond. Een drieluik over 70 jaar Molukkers in Nederland. Vandaag deel 1: Een tijdelijk verblijf.

,,We wilden terug naar Ambon, of naar Nieuw-Guinea. Maar we moesten naar Nederland. We wilden niet, maar het was een dienstbevel.” De ogen van Anthon Pattinama (92) uit Hoogkerk schieten vuur.

loading

Zijn wijsvinger tikt op tafel. ,,Zes maanden zouden we hier blijven, zo beloofde de Nederlandse regering ons. Kijk nu, ik ben zeventig jaar in Nederland. Het maakt mij nog steeds boos. Het doet pijn, heel veel pijn.”

Anthon Pattinama stapt als 22-jarige soldaat der eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in maart 1951 in Batavia (het huidige Jakarta) op de passagiersboot Roma, op weg naar Nederland. Als enige van zijn familie. Zijn vader overlijdt als Anthon 9 jaar is, zijn moeder blijft achter in hun geboortedorp op het eiland Haruku. Zijn broer en zus komen later met een andere boot. „Soldaten vertelden me dat het koud was in Nederland. Er kon sneeuw liggen. Sneeuw? Ik had er nooit van gehoord.”

Begin april meert de Roma af in de haven van Rotterdam en krijgt soldaat Pattinama een eerste indruk van Nederland. „Wat is het hier plat, dacht ik. Ik zag helemaal geen bergen.” In Amersfoort ondergaat hij een keuring op ziektes en krijgt te horen dat hij in een kamp in Middelburg wordt geplaatst.

loading

Pattinama is niet de enige die van boord stapt in Rotterdam. Nog eens 3.500 Molukse KNIL-militairen met hun vrouwen en kinderen komen tussen 21 maart en 21 juni 1951 naar Nederland. Zeventig jaar later zijn verreweg de meeste Molukse KNIL-militairen overleden. Hier in Nederland en niet – zoals ze graag wilden – op hun geliefde Molukken.

De oprichting van de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken mislukt, KNIL’ers komen naar Nederland

Na de Nederlands-Indonesische rondetafelconferentie van 1949 wordt op 27 december 1949 de Republik Indonesia Serikat (RIS, de Verenigde Staten van Indonesië) officieel een onafhankelijk land. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het KNIL zou snel ophouden te bestaan. De Zuid-Molukken worden een provincie in de deelstaat Oost-Indonesië.

De federale structuur van Indonesië verandert onder president Soekarno snel. Deelstaten krijgen minder invloed en het land transformeert naar een eenheidsstaat. Er wordt een poging gedaan de onafhankelijke staat Oost-Indonesië op te richten. Wanneer die mislukt wordt op de Molukken in een chaotische situatie op 25 april 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS, de Republiek der Zuid-Molukken) uitgeroepen. Johanis Manuhutu is de eerste president. Nederland erkent de republiek niet.

Een aantal maanden later, op 16 juli, wordt het KNIL opgeheven. In de eerste helft van 1950 zijn al duizenden militairen gedemobiliseerd of overgestapt naar het Indonesische leger. In oktober 1950 zijn nog zo’n 3.800 Molukse ex-KNIL-militairen over. Zij wachten op hun demobilisatie, want een groot deel van hen is aanhanger van de RMS en wil niet het ‘vijandelijke’ Indonesische leger in. Demobilisatie is echter ook complex: Indonesië wil niet dat Nederland toegeeft aan de Molukse wens om de militairen op Ambon te demobiliseren. Een Nederlandse rechtbank verbiedt om de Molukkers tegen hun zin op Java te ontslaan, op vreemd grondgebied.

Er resteert één optie: verscheping naar Nederland om daar uit dienst te treden. Er bestaat veel discussie over de vraag of de Molukse militairen vrijwillig kozen voor de tocht naar Nederland of werden gedwongen. Duidelijk is wel dat de Molukkers bij aankomst in Nederland, tussen maart en juni 1951, te verstaan werd gegeven dat zij werden gedemilitariseerd.

Kamp Westerbork wordt omgedoopt tot woonoord Schattenberg

„Na de keuring in Amersfoort kregen we te horen dat we geen militair meer waren, maar burger”, zegt Anthon Pattinama. „We kregen in het kamp in Middelburg 3 gulden per week om te besteden. Plus kost en inwoning. In de keuken moesten we brood en aardappelen eten. Dat kenden we niet. Er was geen rijst. We waren kwaad en teleurgesteld: we hadden jarenlang voor Nederland gevochten, zouden hier zes maanden blijven en dan teruggaan. Zo is het ons beloofd, maar het gebeurde niet. Dat was fout van Nederland. Maar ja ... dat is politiek.”

loading  

Het is voor de Nederlandse regering een behoorlijke opgave om voor de 12.500 Molukkers onderdak te regelen. De woningnood is hoog, de nieuwkomers worden daarom ondergebracht in zogenoemde woonoorden. Oude kazernes of kloosters, maar ook voormalige werk- en concentratiekampen als Vught en Westerbork.

Het laatstgenoemde kamp wordt omgedoopt tot woonoord Schattenberg. Vanaf september 1949 staat het kamp leeg. In juni 1950 wordt het opnieuw ingericht om de vluchtelingen uit Nederlands-Indië op te vangen. Vlak voordat de Molukkers arriveren worden zij naar pensions overgebracht.

Woonoord Schattenberg functioneert dus al, maar moet ook voor een groot deel opnieuw worden opgezet. Het oudste deel van Schattenberg bestaat uit barakken met kamers: de huisjes. Het tweede, grotere deel bestaat uit grote barakken die niet geschikt zijn voor gezinsbewoning. Die moeten van tussenwanden worden voorzien.

‘Niet op blote voeten door de sneeuw lopen’

„De meeste barakken bestonden uit twee of drie kamers. Daar woonden de grotere gezinnen”, zegt conservator Guido Abuys van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. „Mensen waren continu bezig om die te herinrichten en van tussenwanden te voorzien. Nu zouden we er geen genoegen mee nemen, maar de meeste Molukse gezinnen die naar Nederland kwamen, waren gewend om in kazernes te wonen. Ook de vrouwen en kinderen. De manier van wonen schrok hen dus niet af. De Nederlandse kou wel, daaraan moesten ze flink wennen. Bewoners moesten er echt op worden gewezen dat je bijvoorbeeld niet op blote voeten door de sneeuw moet lopen.”

loading  

In de eerste jaren regelt de Nederlandse regering alles. Er is een centrale keuken op het woonoord, en huur, gas en elektra worden automatisch verrekend. Schattenberg is met meer dan 3.000 bewoners een heel dorp. Het heeft eigen voorzieningen als winkels, een lagere school en een kerk. „Het was voor de Molukkers heel belangrijk dat ze als groep bij elkaar bleven”, gaat Abuys verder. „Schattenberg lag ver van de buitenwereld, maar daardoor was het voor velen, ook voor de jeugd, best een prettige omgeving. Voor de uit het leger ontslagen oud-KNIL-militairen was het lastiger. Zij mochten de eerste tijd niet werken, waren hun status en doel in het leven kwijt. Die uitzichtloze situaties kon ook tot ruzies leiden binnen gezinnen.”

Kinderen kregen een strenge opvoeding maar toch was het fijn wonen in Schattenberg

Melie Lumalessil-Metiary (68), geboren in Schattenberg, kan zich dat nog goed herinneren. „In veel gezinnen kregen kinderen een Spartaanse opvoeding, volgens de KNIL-methode.” Vaders wil is wet en wie niet luistert krijgt (lijf)straf. ,,Je moest niet iets verkeerds zeggen, of je was de klos. Frustratie werd nogal eens afgereageerd op de kinderen.”

Zelf woont ze, als dochter van de bekende Molukse dominee Samuël Metiary, in de relatief luxe pastorie op het kamp. „We hadden mooie kamers en zelfs een badkamer”, herinnert ze zich. „Vooral met dat laatste was ik heel blij, want ik was bang om naar het badhuis te gaan. Je mocht maar 5 minuten douchen en ik weet nog dat een man heel hard schreeuwde en op de deur klopte als de tijd om was.”

Ze weet nog dat de bewoners van de barakken te maken kregen met ratten- en kakkerlakkenplagen. Toch heeft ze als klein meisje fijn gewoond op Schattenberg. „We knikkerden, speelden met de hoelahoep. Ook speelden we Molukse spelletjes als patu lèlè . Daarbij moest je met een stok een andere stok wegzwiepen, de tegenstander probeerde deze dan te vangen.”

loading  

De bosrijke omgeving van Schattenberg biedt voor kinderen voldoende mogelijkheid om op onderzoek uit te gaan en spannende tochten te maken. „Heel soms kwamen we stiekem buiten het kampgebied. Zo was er verderop een stukje natuur, bij een watertje. Dat noemden we het paradijs . Zo zijn we ook eens op een grote fabriek gestuit. Daar schrokken we van en zijn snel weer teruggehold.”

Veel krijgt de jonge generatie, die in het kamp opgroeide, niet mee van de buitenwereld. De lagere school staat op het kamp en alleen met hun ouders gaan ze af en toe ‘naar buiten’. „Mijn vader had als een van de weinigen een auto, omdat hij ook predikte op andere woonoorden”, weet Lumalessil-Metiary. „Ik ging weleens mee om boodschappen te doen. Een andere, heel sterke herinnering heb ik aan de TT. Mijn moeder en ik zijn een keer naar het parcours in Hooghalen gelopen om de motoren te zien langskomen. Heel bijzonder was dat.”

Langzaam maar zeker vindt maatschappelijke opname plaats

Na de eerste jaren, waarin de oud-KNIL-militairen weinig om handen hadden, vinden steeds meer Molukkers een baan en komt de integratie in de Nederlandse samenleving langzaam maar zeker op gang. Toch blijft de blik bij velen op de Molukken gericht en staan de hutkoffers altijd gepakt klaar voor vertrek.

Ook de Nederlandse regering houdt jarenlang vast aan de tijdelijkheid van het Molukse verblijf, maar gaat daarbij wel uit van een terugkeer naar de Indonesische republiek. Toch waren in de politieke arena’s geluiden te horen die wél uitgingen van een definitief verblijf. Eerste Kamerlid Hilda Verwey-Jonker (PvdA) geeft al in 1955 aan dat de situatie in het slop dreigt te raken en dat verder nagedacht moet worden over ‘opname’ van de Molukkers in de Nederlandse samenleving.

loading  

Het helpt weinig, hoewel de Commissie Ambonezenzorg (CAZ) maatregelen treft die later uitgroeien tot de ‘zelfzorgregeling’: Molukkers moeten meer en meer in hun eigen onderhoud voorzien.

„Er waren Molukkers die vonden dat Nederland daarmee hun verantwoordelijkheid afschoof”, zegt Guido Abuys. „Zij weigerden huur te betalen of te werken. Anderen deden dat wel. Je ziet in ieder geval dat vanaf dat moment gezinnen het woonoord begonnen te verlaten. Sommige Molukse mannen kregen een baan vlakbij en bleven op Schattenberg wonen. Anderen vonden werk elders in het land en namen hun gezin mee.”

Brand van maart 1958 is het keerpunt voor Schattenberg; er komen in Nederland 43 Molukse wijken

Het keerpunt voor Schattenberg is de grote brand van 18 maart 1958, waarbij drie barakken volledig in vlammen opgaan en een vierde onbewoonbaar wordt. Het is het begin van een grote uittocht.

„We zaten net op school toen we ineens allemaal sirenes hoorden”, weet Melie Lumalessil-Metiary nog. „We gingen naar buiten en zagen dat de lucht helemaal zwart was van de rook. Bij ons thuis liepen de mensen in en uit, niemand wist wat te doen. Mijn vader is naar de brand gegaan, heeft gebeden met de mensen en legde toen zijn toga op het vuur, zodat de brand niet de weg over ging. Het hielp, het vuur stak de weg niet over.”

Na de brand verhuizen de getroffen families naar andere woonoorden. Twee jaar later, in 1960, wordt in Nederland de allereerste Molukse woonwijk geopend, in Appingedam. Uiteindelijk worden er 43 Molukse wijken gebouwd, Assen en Groningen krijgen er zelfs meerdere.

Lumalessil-Metiary verhuist in 1965 met haar ouders naar de Molukse wijk in Assen. Als ze uit het raam van haar huidige woning kijkt kan ze haar eerste huis nog zien. Dat staat bij de kerk waar haar vader predikte. „Ik moest wel wennen in Assen”, lacht ze. „In Schattenberg hadden we veel meer ruimte. Gelukkig bleven we als Molukkers wel bij elkaar, zodat we onze cultuur konden behouden, zoals we dat nu nog steeds proberen te doen. Dat gaat een stuk makkelijker als je bij elkaar woont.”

loading  

Niet iedereen wil graag het kamp voor een woonwijk inruilen, juist omdat dit een grote stap betekent in de richting van een permanent verblijf. Toch kun je voor een grote groep zeggen dat het leven in de Molukse woonwijken een voortzetting was van het leven in een woonoord, maar dan op een kleinere schaal.

Het toenmalige overheidsadvies houdt in dat de wijken niet omvangrijker moeten worden dan vijftig woningen, maar uiteindelijk is de Asser wijk drie keer zo groot geworden. Abuys: „Je krijgt lokale gemeenschappen in een stad of dorp, dat bevorderde niet de integratie in de Nederlandse samenleving. Velen hielden vast aan de RMS-gedachte en bleven hopen op terugkeer naar een onafhankelijke republiek, maar er zijn ook Molukkers die op dit moment besluiten er het beste van te maken in Nederland, en hier een toekomst op te bouwen.”

De tweede generatie raakt gefrustreerd, een deel radicaliseert

Daarmee breekt eind jaren 60 een nieuwe fase aan: de tijdelijkheid van het verblijf van de Molukkers wordt openlijk en veel vaker in twijfel getrokken. Vooral de tweede generatie Molukkers, op dat moment de jongeren, raakt zwaar teleurgesteld in het uitblijven van een onafhankelijke Zuid-Molukse republiek en laat dat merken. Een deel van hen radicaliseert.

Niet alleen zorgt dit voor hoofdbrekens binnen de Nederlandse regering, ook binnen de Molukse gemeenschap is steeds meer sprake van een tweedeling. Wat daarvan de gevolgen waren leest u volgende week in aflevering 2.

Bronnen

In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2006 door Henk Smeets en Fridus Steijlen (uitgeverij Bert Bakker, 2006); Molukkers in kamp Westerbork: het verhaal van woonoord Schattenberg 1951-1971 door Guido Abuys en José Martin (uitgeverij Just Publishers, 2011).

Je kunt deze onderwerpen volgen
Drenthe