Interview met Asser dichter Lévi Weemoedt: De ouwe jongen

Lévi Weemoedt. Illustratie Gerrit Guldenhemel

Hij is schrijver en dichter, maar houdt niet van publiceren. Hij is performer, maar heeft liever geen publiek. Lévi Weemoedt; een portret in laagjes. ,,Het gaat wel aldoor erg over mij hè?’’

De schrijver Lévi Weemoedt loopt heen en weer tussen zijn kamer naar zijn keuken. ,,Een writersblock?’’, roept hij boven het geluid van het Senseo-apparaat uit. ,,Ik heb al mijn hele leven een writersblock.’’

'Je moet me niet serieus nemen hoor'

Twee grote honden, Rakker en Pacino, draaien rondjes om de tafel. De rottweiler gromt heel even. Waar is de baas nou? De baas komt binnen met de koffie en zegt tegen het bezoek: ,,Je moet mij niet serieus nemen hoor. Dat doe ik ook niet.’’

Welkom in Weemoedts wereld. Waar niets is wat het lijkt, maar waar alles tegelijkertijd zo helder is als het middaglicht dat door de ramen van zijn Assense huis naar binnen valt. Het is een mannenhuis. de inrichting heeft iets achteloos. Aan de muur hangt het geschilderde portret dat zijn overleden vrouw Karin van hem maakte; een kleine, bebrilde man in een volgspot.

Mijn huis is
zo vervuild
dat ik eerst
m’n voeten veeg
vóór ik naar buiten ga

Dat gedicht, Desperate Housewives , staat in zijn laatste bundel Met Enige Vertraging, die eind vorig jaar uitkwam. Het is al aan zijn vijfde druk toe, een bewijs van Weemoedts onverminderde populariteit. De titel mag een understatement genoemd worden. Veel verscheen er dit laatste millennium niet van zijn hand: twee bundels, waarvan een met verzameld werk, in 2007.

Dichten, zeg jij, is zwoegen.

,,Ik ben niet echt een dichter, weet je. Ik word ook nooit gevraagd voor een dichtersfestival. Poëzie bestaat uit 34 betekenislagen. Bij Weemoedt kun je dan weinig kanten op, dat is wat het is. Ik vind: als je iets zegt moet je ’t zo helder mogelijk zeggen. En anders moet je ’t niet zeggen.’’

Heb je dat geleerd tijdens je studie Nederlands?

,,Ja, maar daar heb ik niet zoveel aan gehad. Ik kwam uit een milieu waarin niet gestudeerd werd, dus ik dacht: ik neem Nederlands want dat spreek ik al een beetje. Dus ik heb maar wat rondgefladderd. Dat waren de dagen dat het kon.’’

Hij stond op zijn 21 ste al voor de klas. 21. Zijn oudste leerlingen waren twee jaar jonger dan de meester. ,,Ze dachten vaak dat ik niet in orde was. (Lachje.) En mensen zijn nergens zo bang voor als voor gekken. Autoriteit heb je of heb je niet. Maar gekken, daar blijven ze bij uit de buurt. Ze dachten: hij is niet onaardig, maar hij spoort niet helemaal.’’

loading  

Wat wilde jij je leerlingen in essentie bijbrengen?

,,Liefde.’’

Voor…

,,Voor alles. Voor wat je doet. Doe het met liefde, doe het anders niet. Doe het met enthousiasme. Met vuur. Wat het ook is, doe het met liefde. Anders is het hol, is het leeg.’’

Praten met Lévi Weemoedt is alsof je een schilderij laag na laag ziet ontstaan. De schrijver doorspekt zijn zinnen met het woord ‘eigenlijk’, alsof hij tot de kern van iets wil doordringen, maar dan terugdeinst, zijn woorden herroepend alsof hij ze weer uit wil gummen. Om vervolgens te accelereren in een gedreven betoog, dat hij onderstreept met zachte klopjes op de tafel. Hij lacht vaak. Als hij lacht moet je uitkijken. Dan wordt het serieus.

Hij spreekt ‘over’ uit als ‘euver’. Lévi Weemoedt, pseudoniem voor Izaäk van Wijk, werd geboren in Vlaardingen.

Op avonden dat ik klaarwakker en bevroren van angst lag te luisteren naar geluiden van slagen, geschreeuw en brekend servies, werd ik soms onverwacht door mijn vader uit mijn bed gehaald en in een deken gewikkeld naar mijn tante gebracht. (Uit: Halte Tranendal)

Uit wat voor gezin kom jij?

,,Geen.’’ Zwijgt even.

,,Mijn moeder leeft nog, ze is 94. Een vrouw die, laten we zeggen, behoorlijk apart was. Een genoegen voor iedere psychiater. Ze had tics en neuroses en een enorme behoefte om te stofzuigen. Op een gegeven ogenblik stapte ze op. Ik kwam terug van vakantie en toen was ze weg.’’

,,Ik ben voor een deel opgegroeid bij een tante en oom van mij, want bij ons thuis was heel veel ruzie. Daar kon ik als kind niet tegen. Mijn tante was mijn moeder, het was er liefdevol en harmonieus. Maar mijn opvatting over het huwelijk, dat is eigenlijk altijd dat huwelijk geweest van mijn vader en moeder. Naar.’’

Er werd geslagen.

,,Absoluut. Uit passie ook hoor. Later begreep ik pas dat mijn vader ook heel passioneel van mijn moeder hield. En dan zijn dingen dus altijd wat feller en harder.’’

Sloeg hij jou ook?

,,Ja. Hij was heel driftig. En mijn moeder was gewoon geen moeder. Dat was een kroegtijger. Die was leuk en crazy en die had aandacht nodig van vele mannen. Die had nooit moeder moeten worden.’’

Was er dan wel iemand thuis?

,,Nee, dat was het probleem. Mijn angst was vooral dat zij ’s avonds wegging, naar het café. Mijn vader werkte toen in Duitsland. En ik kon daar niet tegen. Mijn vier jaar oudere halfzusje sliep nota bene bij mij in de buurt, maar die sliep, dat was een prop dekens, daar had ik niks aan. Dus bleef ik wakker tot mijn moeder thuis kwam. Maar ik ging ook niet uit bed. Terwijl ik soms verschrikkelijk moest plassen.’’

,,Maar ik…’’ Staart even voor zich uit. Resoluut: ,,Ik heb er geen last van. Niet meer. Ik denk dat die dingen je wel een soort tekenen. Maar op een gegeven moment denk je ook: ja, de een heeft dit, de ander dat. Ik heb niet in een kamp gezeten.’’

Nou, dan hebben we u toch even psychisch geduid, meneer Weemoedt.

Meneer Weemoedt giechelt.

Jouw vriend Cornelis Pons zegt: hij is een old boy. Altijd een jongen gebleven.

,,Dat kun je ook alleen maar zijn als je jezelf niet zo serieus neemt. Maar ik ben ook niks geworden. Dat is gewoon een feit.’’

Iedereen kent Lévi Weemoedt toch.

,,Ja. Dat vinden ze dan een teken dat je wat geworden bent. Maar ik had het ook wel leuk gevonden als ik een beetje gelukkig was geworden. Ik heb altijd wel mijn best gedaan om zo normaal en burgerlijk mogelijk te leven. Ik vond het heel leuk om een stropdas te dragen toen ik lesgaf. Toen had je allemaal linkse mensen en die zeiden dan dat ik rechts was. Nou, dan kwam ik de ochtend daarop op school met twee stropdassen om.’’

Moedeloos ineens: ,,Ik ben een mislukte burger.’’

Waar komt die behoefte aan burgerlijkheid vandaan?

,,Gewoon, dat is een hele…pff. Behoefte aan geborgenheid. Erbij horen.’’

In de jaren ’80 ging hij het theater in met collega-schrijver Hans Dorrestijn. De samenwerking met Dorrestijn is allang ter ziele, maar hij treedt nog regelmatig op met zanger/gitarist Cornelis Pons. Zijn ambitie: zingen als de Everly Brothers, maar dan een octaaf lager. ,,Met Cornelis spelen is een van de leukste dingen. We zitten op dezelfde golflengte. Cees kan ook goed met teksten overweg, en ik ben muzikaal in de zin dat ik hem aanvoel als hij ergens naartoe wil.’’

Hij zei dat jullie in een repetitie een liedje kunnen schrijven.

,,Ja, ik vind dat heel leuk. We spelen niet meer zoveel, maar dat komt misschien wel weer. Het maken van zo’n lied is voor mij het belangrijkste.’’

Je hebt wel een ambivalente verhouding met de spotlights hè?

,,Ja. Jazeker.’’

Je bent wel eens een keer met je jas aan de kleedkamer ingelopen en hebt gezegd: ik ga nu weg, want ik kan dit niet. Terwijl je in de schijnwerpers vloeibaar schijnt te worden.

,,Ja, dat is een hele rare verandering. Er zijn mensen die zeggen dat ik het juist heel goed kan. Want je wordt een ander mens op het podium, zeggen ze. Ik heb ook wel voor volle zalen gestaan hoor. Ik heb ook in Carré opgetreden. En dan moet je echt aan de bak. Ik vind het verschrikkelijk om te doen. Maar ja, (klap op tafel) als het moet, dan moet het. En dan doe ik het.’’

Dus je bent er bang voor en ook niet.

,,Doodsbang. Maar het lukt. Af en toe. Ja, ach ja, ik zeg altijd maar, ik ben niet in dienst geweest, dus je moet toch wat.’’

Lafheid, zegt hij, is geen optie. ,,Ik ben vaak bang geweest.’’ Hij streelt de brede kop van de rottweiler, die naar hem opkijkt met smeltende blik. ,,Ik was eerst bang voor deze hond, maar nu is hij een lieve, lieve schat. Ik denk dat ik hem zo leuk vind omdat hij eigenschappen heeft die je misschien niet zo mooi moet vinden. En dat-ie niet van kunst houdt vind ik ook fijn.’’

Bij een Rottweiler denken de mensen niet
gauw
aan een hond met veel boeken
of een Vriend van het Concertgebouw
Ach misschien dat ik daarom
zoveel van hem hou
(Uit: Met enige Vertraging)

Zijn vrouw Karin overleed in 2002. Het veranderde zijn leven voorgoed. Hij bleef achter met zijn twee zoons, toen 11 en 21.

,,Karin was een prachtige vaas met een barst die steeds groter werd. Sinds haar dood is niets meer hetzelfde. Nooit meer. Dat zijn dingen die… Zo is het leven.’’

Na de uitgave van zijn verzameld werk, in 2007, verzuchtte hij dat zijn leven binnenkort afgelopen zou zijn. Want dat hoort zo, na zo’n oeuvre-overzicht. Maar dat was ook bijna zo.

loading  

Je kreeg een hartaanval en was er zowat geweest.

,,Ja, dat vond ik wel goed.’’

Pardon?

Relativerend: ,,Jaaaa. Het was een gebrokenhartaanval. Zo noemde ik het, want dat is mijn theorie ook, dat je kunt sterven aan een gebroken hart. Ik onderging twee openhartoperaties, waarna ik een delier kreeg, nare hallucinaties. Ik heb op zeker moment gevoeld dat het afgelopen was.’’ Buigt voorover: ,,Ik denk nog wel eens dat ik eigenlijk dood ben.’’

Oud verwacht hij niet te worden. ,,Ik ben al 66. En ik voel me 91.’’

Ben je misschien altijd oud geweest?

,,Ja. Een oude geest geloof ik. Maar ook wel een jongetje.’’

Een ouwe jongen. Dat vindt-ie een goeie.

,,Normaal was ik op 3 juli vorig jaar gestorven, dankzij die medische techniek ben ik overeind gebleven. Mijn natuurlijke leeftijd is opgerekt. Een rare gedachte.’’

Dat je in geleende tijd leeft.

,,Ja. Als ik nou negatief zou zijn zou ik weer gaan roken want dat doe ik graag, en veel drinken, doe ik ook graag, maar dat doe ik niet want dat vind ik weer oneerbiedig. Voor die doktoren. Die hebben toch hun best gedaan?’’

Maar wil je dan niet verder leven?

,,Daar heb ik niet zo’n mening over.’’

Had je dit voor 2002 ook gezegd?

,,Toen Karin nog leefde? Nee. Want met zo’n lieve schat wil je niet de pijp uit.’’

Was je toen gelukkiger?

,,Het was óók zwaar. Ik moest ademhalen voor twee. Zo voelde dat.’’

Hij zwijgt even. Biedt meer koffie aan. En zegt: ,,Het gaat wel aldoor erg over mij hè?’’

Hij werkte als leraar in gevangenis de Grittenborgh in Hoogeveen. Hij ondervond er na de dood van zijn vrouw veel steun onder gedetineerden. ,,Vooral die moslimjongens hadden gelijk een praktische oplossing: u bent nog hartstikke jong, zeiden ze, wij weten wel een vrouw voor u. Hartstikke lief. In een bajes is genoeg tragedie, we hebben ook gelachen, maar er is altijd een zwarte rand. Er was qua delicten heel wat loos, maar die zwaarte had ik ook wel nodig. Ik had niet in een feestartikelenwinkel kunnen werken, toen.’’

Het was, zegt hij, het mooiste baantje dat hij ooit had. ,,Er liepen jongens rond van drie meter lang. Die grepen me voor de gein van achteren vast. Buitenlandse jongens. Dan zei ik: ‘You can kill me on the spot, I don’t care’. En dan was er respect. Net als honden konden ze je angst ruiken.’’

Je zei ooit dat je meer met moed hebt dan met hoop.

,,Ja, want moed is het praktische broertje van de hoop. Hoop is een gevaarlijk iets. De oude Grieken vertelden het verhaal van de doos van Pandora, die zat vol met ziektes. Epimeteus zette die doos open, en alle ziektes vlogen eruit, en een bleef zitten: de hoop. Met andere woorden: hoop was een ziekte. Die visie vond ik heel verrassend.’’

Waarom?

,,Je hoopt op iets wat niet komt. Wie moed heeft, gaat ergens op af. Wie hoopt zegt: laten we maar hopen dat het zus of zo gaat. Ja, dat is nou ziek. Stel dat ik bijvoorbeeld na Karins dood alleen maar zou hopen dat het weer goed komt. Dan kan ik lang hopen, want het komt niet meer goed. Je zal op den duur toch iets moeten doen. Voor je kind zorgen. Dan heb je meer aan moed dan aan hoop. Dan moet je courage hebben. Dat vind ik mooi hoor, van die ouwe Grieken. Dit is toch wijsheid.’’

Boven, op zolder, is zijn werkkamer. Er staat een enorme boekenkast, louter gevuld met boeken over de Eerste Wereldoorlog. In de andere hoek staat een wasmachine. Hij zegt: ,,Dit is de Wasserette der Letteren.’’

Dat bedenkt hij ter plekke. ,,De catharsis, daar hadden die oude Grieken het ook over. Kunst moet reinigen. Nou’’, zegt hij blijmoedig. ,,Vandaar die wasmachine.’’

menu