Journalist Willem Dekker belandt met corona in het ziekenhuis in Assen. Dit is zijn verhaal. 'Ik durf niet te sterven'

DVHN-verslaggever Willem Dekker werd met corona opgenomen in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen. Hij is herstellende en tekende zijn ervaringen op. Hier zijn verhaal.

Het begint de woensdagnacht tijdens onze wintersportweek in Zell am See, Oostenrijk. Hoesten, keelpijn, verkouden. Ach, ik ben altijd verkouden op wintersport. Vorst, zon en sneeuw, volle bak skiën, de hele dag lekker buiten. Hoe anders dan in Nederland en het lichaam moet vast aan de Oostenrijkse winter wennen.

Corona is begin maart volop in het nieuws, met forse uitbraken in China en de kop van Italië. De berichten volgen we intensief, we hebben een wintersportvakantie in de Italiaanse Dolomieten geboekt. Een week voor vertrek komt het ministerie van Buitenlandse Zaken met een negatief reisadvies voor Italië. We annuleren het appartement. De huisbazin reageert getergd als ik haar de situatie per telefoon uitleg. ,,De skipistes zijn open, je kunt gewoon komen.” De aanbetaling van 530 euro krijgen we niet terug, laat ze weten.

Oostenrijk dan maar

Oostenrijk dan maar, dat is nog coronavrij. In Zell am See is nog een redelijk betaalbaar appartement dicht bij de piste beschikbaar.

We skiën alle pistes af, blauwe, rode en zwarte. Eten tussen de middag in volle skihutjes. Het weer zit mee en met een strakblauwe lucht stappen we in een volle skibus naar Kaprun, een stief kwartiertje rijden van Zell. Wat een mooi gebied met de top op 3029 meter. We lachen om een Engelsman met een mondkapje voor. Corona heeft de kop nog niet opgestoken in Oostenrijk. Toch?

Maar dan. Halverwege de week zijn de eerste coronapatiënten opgenomen in het ziekenhuis van Innsbruck. In Ischgl blijkt een (Noorse) barman de bron van coronabesmettingen. Een Engelsman in Saalbach-Hinterglemm is met corona opgenomen in Salzburg.

Saalbach? Daar hebben wij gisteren nog geskied en te lang in de drukke tent Goasstall gezeten. Donderdag komt de onheilstijding: de skigebieden in Oostenrijk sluiten maandag. Hotels en appartementen gaan dicht. We hebben mazzel, wij vertrekken zaterdag.

De laatste avond: het weizenbier smaakt niet goed

De laatste avond in Zell smaakt het eten en het weizenbier minder dan voorgaande dagen. Zondag, weer thuis, voel ik me beroerd. Ik hoest meer, heb koorts, weinig lucht en ben verkouden.

Symptomen van corona.

Op het werk willen ze me voorlopig niet zien. ,,Blijf maar thuis, kun je hier niemand aansteken.” Dinsdag bel ik de huisarts. De koorts is gestegen tot over de 39 graden. Mijn dokter wil het nog even aanzien.

Slapen gaat slecht ‘s nachts. De koorts neemt niet af, het hoesten en de keelpijn ook niet. Ik raak mijn stem deels kwijt, ben moe en benauwd. Vrijdag bel ik de huisarts opnieuw. Hij vindt me niet ziek genoeg om langs te komen.

Zondagmorgen gaat het niet meer

Zondagmorgen gaat het niet meer. Ik ben erg kortademig, hoest, ben verkouden en voel me slap. Mijn vrouw belt de huisartsenpost. De doktersassistent wil mij graag aan de lijn. Mijn stem is slecht, met moeite leg ik haar uit hoe ik me voel.

Zij hakt de knoop door: ,,Om kwart voor twaalf melden op de speciale Drentse corona-huisartsenpost bij het ziekenhuis in Hoogeveen. Parkeren op de parkeerplaats en dan word je gebeld waar je precies moet zijn.”

Mijn vrouw rijdt naar Hoogeveen, ik ben te ziek. Even na kwart voor twaalf gaat de mobiele telefoon. ,,U moet voorbij de hoofdingang lopen, richting de ambulance-ingang. Daar ziet u een rode deur. Daar moet u zijn.”

Een onregelmatige hartslag: naar de spoed

De huisarts wacht me op in de deuropening. Coronaproof. Ik ben blij dat ik in de spreekkamer zit, na nog geen 100 meter lopen. De huisarts hoort mijn klachten aan en controleert onder meer de longen, het hart en de bloeddruk. Haar diagnose: coronaverschijnselen en een onregelmatig hartslag. ,,Ik stuur u door naar de spoedeisende hulp van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen.”

Ruim 30 kilometer terug over de A28 naar het WZA. Ik voel met steeds slechter. In de lange witte tent voor de ziekenhuis ingang in Assen wordt iedereen gecontroleerd op corona. Ik in ruimte 7. ,,Ik breng u gelijk door naar de spoed”, zegt de verpleegkundige. Het stukje naar de spoedafdeling kan ik niet meer lopen, te moe. Ik ga in de rolstoel.

Twee aardige dames, een arts en spoedverpleegkundige in beschermende kleding zijn zo’n twee uur met mij bezig. Ze vragen me het hemd van het lijf. De arts schrijft alle antwoorden op een whiteboard. De verpleegkundige neemt buisjes bloed af, controleert de bloeddruk, maakt een hartfilm, legt een infuus aan en prikt me lelijk in de slagader aan de binnenkant van de pols. Ook wordt een longfoto genomen.

loading

Afwachten

Dan is het wachten geblazen. De arts en verpleegkundige zijn bezig met een nieuwe patiënt. Een andere arts vertelt me de voorlopige uitslag. ,,Longontsteking, vermoedelijk corona. We moeten het bloedonderzoek afwachten voor de definitieve uitslag. En we zien boezemfibrilleren bij uw hart. Dat kan met corona te maken hebben. U wordt opgenomen.”

Ik berust, ben blij dat ik in het ziekenhuis ben. Dat boezemfibrilleren verontrust me wel. Hartproblemen zitten in de familie, mijn vader overleed aan een hartinfarct. Hij werd 54 jaar. Ik ben twee jaar ouder.

Ik kom in een kamertje alleen te liggen op de afdeling voor coronaverdachten. De verpleegkundige trekt in de sluis naar mijn kamer bij elk bezoek haar coronakleding aan. Ze vervangt de lege zakken antibiotica en natriumchloride (tegen uitdrogen) van het infuus. Ik krijg ook zuurstof. Via een slangetje met twee korte uitstulpingen die in de neusgaten gaan.

’s Avonds probeer ik wat rode kool naar binnen te krijgen. Ik ben links en in mijn linkerarm zit het infuus. Eten met rechts gaat moeilijk, er komen twee paarse vlekken in het gele dekbed. ‘s Nachts slaap ik niet, zie elk uur op de grote wandklok voorbij komen.

Een positieve uitslag: het is inderdaad corona

De uitslag is positief. Corona. ,,Schrikt u ervan?”, vraagt de verpleegkundige. ,,Ik had het wel verwacht”, antwoord ik. ,,Je verhuist direct naar de corona-afdeling”, zegt ze.

Binnen 10 minuten schuif ik door twee sluizen naar B1, de corona-afdeling van het WZA. Iedereen loopt in blauwe plastic schorten, met mondkapjes voor, een beschermbril voor de ogen en blauwe haarnetjes op. Twee verpleegkundigen nemen me over en schuiven het bed in kamer 11.

Een vierpersoonskamer, maar ik lig er alleen. Bezoek mag niet op de afdeling komen, contact gaat via de telefoon: bellen en appen. Ik kijk naar buiten en zie een rij bomen. De zon schijnt volop, het blad staat op het punt van uitkomen.

Ik begin enorm te huilen

Dan daalt het besef in dat ik corona heb. Ik kijk op mijn witte plastic polsbandje. Mijn naam en geboortedatum staan erop: 56 jaar. Zou dit het geweest zijn? Ik begin enorm te huilen, denk aan mijn vrouw en twee kinderen.

Verpleegkundige Marjorie troost me en legt haar hand op mijn arm. Haar naam staat met zwarte viltstift op haar schort geschreven. ,,U bent nog niet zo ziek als u aan hen moet denken.”

Ik krijg een nieuw antibioticum toegediend via het infuus en chloroquine, een antimalariamiddel dat volgens testen ook helpt tegen het coronavirus.

Ik word er niet beter van.

Ik hoest slijm op, de koorts neemt niet af, de keel is rauw als schuurpapier en ik ben doodmoe, maar slapen gaat niet. Ik denk veel na en krijg psychische klachten. Ik zie de boomtakken buiten in geesten veranderen, hoor anderen hard lachen, zie een ooievaar die er niet is. Ik hallucineer en heb waanideeën.

Ik voel me wegglijden, zie een blauwe tunnel en dan weer een zwarte. Het bed lijkt te zweven, ze komen me halen. Ik ga vast naar de hel, want ik ben ongelovig en heb nogal eens stevig gevloekt.

Is dit nu een bijna-doodervaring?

Ik schrik wakker en zie dat ik gewoon alleen op kamer 11 van het WZA lig. Is dit nu een bijna-doodervaring? Ik trek het bijna niet meer en krijg een kalmerend middel.

Mijn vrouw belt, ik zeg dat ik niet durf te sterven.

Ze spreekt me stevig toe, zegt dat ik sterk genoeg ben en dat ik ervoor moet gaan. Ik beloof het haar.

De volgende dag is mijn dochter jarig. Geen dag om dood te gaan, zeg ik tegen mezelf. Ik feliciteer haar voor half vijf ’s morgens met een appje. Ze reageert gelijk. ,,Je bent de eerste, pap.” Deze dag moet ik sterk zijn. Het eten smaakt me al dagen niet, maar ik verplicht me ertoe wat naar binnen te werken. Dat lukt. Het infuus gaat eraf, de chloroquine zou de psychose veroorzaakt kunnen hebben. Ook de zuurstof wordt afgebouwd.

Een psychologe en twee kamergenoten

Een psychologe komt de volgende dag met me praten. Dat lucht op en ze adviseert ontspanningsoefeningen te doen.

Ik krijg deze dag twee kamergenoten, een dame uit Assen van 80 en een vrouw van in de 40 uit Gieten. Hun aanspraak doet me goed. We kletsen wat, hoesten om de beurt en dommelen weg. Af en toe huilen ze. Ik kan niet meer meehuilen, mijn tranen zijn op.

Ik kan de slaap maar niet vatten en blijf piekeren. Mijn kamergenoten zien mijn worstelingen. Riet uit Assen stelt een spelletje rummikub voor, om de zinnen te verzetten. Een verpleegkundige ritselt het spel van een andere afdeling. Daar zitten we, drie coronapatiënten aan een vierkant tafeltje met bordjes vol nummers voor hun neus. Karin uit Gieten wint.

Een wilde baard en ongewassen haren

Wat er is gebeurd weet ik niet, maar ik voel me de volgende ochtend wat beter en loop voor het eerst zelfstandig naar het toilet in de badkamer op de gang. Ik kijk in de spiegel. Een wilde baard, ongewassen haren. Ik zie er niet uit. Wat zou ik me graag douchen.

Eenmaal terug in bed moet ik rusten, maar het begin is er. De longarts komt langs. Hij ziet dat de zuurstof eraf is en de koorts gedaald. De bloeddruk is nog wel te hoog. ,,U moet naar een andere omgeving. Ik denk dat u over een paar dagen naar huis mag om aan te sterken.”

Zo, dat is onverwacht.

Ik loop regelmatig even de gang op, praat met Brabantse patiënten, rummikub dagelijks twee potjes. Ik eet meer, douche me zittend in een stoel en scheer me. Heerlijk.

Met behulp van een slaaptablet pit ik eindelijk een paar uurtjes. Ik krijg ruim tachtig kaartjes in het ziekenhuis en heb puf ze eens goed te bekijken. Enkele hang ik op achter het bed. Het hoesten is afgenomen, ik ben alleen snel kortademig.

We steken samen de handen in de lucht

Zondagmorgen komt de mededeling de kamer binnen dat we alle drie vandaag ontslagen worden. We steken samen de handen in de lucht. Mijn dochter haalt me op en moet schone kleding voor me meenemen. Binnen twee klapdeuren moet ik mijn handen wassen en de schone kleding aantrekken. Al mijn andere spullen gaan in een grote vuilniszak mee. Ik krijg een mondkapje voor en een medewerkster rijdt mij in een rolstoel naar buiten.

Daar wacht mijn dochter. ,,Hé pap.”

In haar auto rijden we naar huis. Wat is het groen geworden overal.

Het huis staat vol bloemen en kaarten. Ik ben in acht dagen 7 kilo afgevallen. Mijn gezicht is smal, mijn beenspieren dun. ‘s Avonds staan er kippenpoten en verse groente op het menu. Ik eet als een slootgraver. Alles gaat op. Ik moet aansterken.

***

Hoe gaat het nu met Willem Dekker?

Een maand na ontslag uit het ziekenhuis gaat het redelijk goed. De conditie is helemaal weg, met wandelen en fietsen probeer ik die weer op te bouwen. Het gaat langzaam, mij te langzaam, maar dat moet ik accepteren, zeggen de artsen. Na inspanning ben ik kortademig en vaak voel ik druk op de borst. Dat komt van de longen of het hart. Binnenkort moet ik naar de cardioloog voor controle en een hartfilmpje.

loading

Mijn vrouw kreeg toen ik in het ziekenhuis lag ook coronaverschijnselen, maar hoefde niet naar het ziekenhuis en is weer beter. Ze is afgelopen week getest en bleek negatief. Het stel dat met ons op wintersport was, kreeg geen coronaklachten, hoewel we samen reden, skieden en het appartement deelden en geen anderhalve meter afstand hielden. Wel moesten ze veertien dagen in quarantaine.

menu