Een uitgebreide beschrijving hoe het was in Westerbork, Auschwitz, Ravensbrück, Flossenbürg of Dachau ontbreekt in het aangrijpende verhaal van Mädie Franz, een Sintimeisje uit Zuid-Limburg. Ze is daar geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog en kon het navertellen. Daar praat ik niet over is de titel van het boekje dat haar jongste dochter Anjes Wolfs-Driessen heeft samengesteld uit de verhalen van haar zigeunermoeder. Het is onlangs door In Boekvorm uit Assen uitgegeven.

De titel slaat op die verschrikkingen, die slechts zijdelings maar wel heftig aan bod komen. Zoals in Westerbork: ,,In barak 69. Als we willen liggen moeten we met zijn tienen in bed, zo vol is het. De honger maakt beesten van ons”. Of bij aankomst in Auschwitz in een veewagen: ,,Duizenden mensen, een soldaat pakt een baby uit de armen van haar moeder en smijt het lachend tegen een wagon”.

Ze reisde drie etmalen in dezelfde wagon als Settela Steinbach

Ze reisde drie etmalen in dezelfde wagon als Settela Steinbach, het zigeunermeisje dat bij haar vertrek uit kamp Westerbork gefotografeerd is en nu symbool staat voor de zigeunervervolging. Na enige maanden Auschwitz volgde een schrijnende ontboezeming: ,,Buiten moeten we soms over naakte lijken heenstappen. Het is erg om te zeggen maar het doet me niets meer. Ik denk wel eens dat ze beter af zijn.” Ze zag er dokter Mengele aan het werk met de vreselijkste experimenten en zag ook dat kinderen steeds om hem heen zwierven, omdat hij wel eens snoepjes uitdeelde.

Tijdens een appel in juni 1944 kregen de dan 6000 zigeuners in het kamp te horen dat ze allemaal zouden worden ‘opgeruimd’ . Vervolgens moest iedereen nog uren blijven staan om de angst maar goed post te laten vatten. En eind juli leek het zover te zijn: alle meisjes boven de 15 jaar moesten naar de treinen, de mannen naar elders: ,,Worden we nu vergast?”, vroeg Mädie zich logischerwijs af.

loading

De vernederingen, slecht voedsel, hard werken, afranselingen, de altijd dreigende dood, de tattoo, de zwarte driehoek op de kleding (zoals de Jodenster voor de Joden), het komt allemaal wel langs in het verhaal van dat 16-jarige zigeunermeisje. Maar de echte rode draad in het verhaal is de manier waarop Mädie zich door de oorlog afkeerde van het Sintileven waar ze aanvankelijk zo trots op was. Haar verhaal geeft een inkijkje in een eenvoudig maar gelukkig leven in een door twee paarden getrokken woonwagen samen met ouders en zeven broers en zussen. Het was een leven dat gekleurd werd door muziek (hun groep heette Les Franzesko’s), poppentheater, dans en handel. Er werd Romanes gesproken en een beetje Duits, liegen en stelen was uit den boze en reinheid een wet, die door vader (Tatta) strikt werd gecontroleerd. Supernetjes, want dat waren de Sintiregels.

Hebzuchtige roofdieren

Hoe er met de vooroordelen van de ‘burgers’ over de ‘vieze zigeuners’ werd omgegaan is bewonderenswaardig. Heel anders werd dat toen sommige andere Sinti en Roma-zigeuners en andere woonwagenbewoners door de oorlog veranderden in hebzuchtige roofdieren. In de kampen zag ze dat de zo gekoesterde regels van de Sinti en Roma niet meer golden. Vader Franz, die zijn viool en zijn baard (bijnaam Spitzbahrt) na het oppakken door de marechaussee kwijt raakte, gaf al zijn kinderen zelfs opdracht om zich niet meer met zigeuners in te laten als de oorlog voorbij is.

loading

Mädie nam die opdracht serieus en werd na de oorlog wat ze noemt ‘burger’. Ze koesterde de foto’s van dat oude leven, maar ging na de oorlog in een huis wonen, ging werken als kamermeisje in hotels en trouwde een burger. Volgens haar dochter kon ze ook moeilijk anders, want wat niet veranderde was de vijandige houding van de overheid tegen zigeuners in het algemeen. Volgens Anjes is die houding er ook nu nog, waardoor er van de Sinti-cultuur niet veel over is.

Telefoonnummer

De tattoo op haar arm verklapte dat Mädie als z-10728 in de Duitse kampboeken stond, maar tegen haar eigen kinderen en andere nieuwsgierigen hield ze lang vol dat het haar telefoonnummer was. In de oorlog bleef ze steeds samen met haar zus Soela. Na de oorlog zag ze alleen twee broers terug, alle anderen kwamen om en hoorden daarmee bij de 214 Sinti en Roma die vanuit Westerbork hun dood tegemoet gingen.

loading

Haar verhaal is voor een belangrijk deel een aanklacht tegen de Nederlandse overheid. Ze liet optekenen: ,,De aanzet voor onze deportatie is door Nederlanders gedaan. De nazi’s hebben het afgemaakt.” De verbittering was groot dat er ook na de oorlog geen plek was voor de Sinti. Ze kreeg pas in 1953 het Nederlanderschap. „Ik hoef geen medeleven, alleen een beetje respect”, liet ze weten voordat ze in 2014 stierf. Pas toen in Beek een monumentje werd opgericht voor de slachtoffers in de familie Franz gaf ze iets van haar verhaal prijs. Omdat de meeste zigeunerslachtoffers zich niet lieten horen is weinig bekend dat de nazi’s behalve Joden ook zo’n 70.000 zigeuners hebben omgebracht. Anjes: „Sinti praten niet over het verleden . Mijn moeder vond dat je de doden moest laten rusten”.

De belangrijkste vraag die Mädie zich in haar verhaal continu stelt: ,,waarom?” Het is ook de reden om in haar nadagen alsnog haar hele verhaal te doen. Zodat de jongeren van nu en de overheid de kans krijgen het beter te doen.

ISBN-nummer 9789493164055.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Drenthe