Een tram van de EDS in Emmen in de jaren dertig.

Wiebren, de ontspoorde treinchef uit Emmen die in Den Haag een rijke weduwe om het leven bracht

Een tram van de EDS in Emmen in de jaren dertig.

Emmen had meerdere stationschefs, maar geen van hen was zo veelbesproken als Wiebren Kromhout van der Meer. Nadat hij in 1925 in Emmen vanwege fraude werd ontslagen, doodde hij in Den Haag een rijke weduwe. Een kleine dertig jaar later probeerde hij in Weidum een medebewoner van het rusthuis te vergiftigen. Hij stierf in de gevangenis van Leeuwarden.

Den Haag, 5 september 1929. Het is kwart voor vijf in de middag. Simon Beuger zit achter het stuur van tramlijn 3 en rijdt door de chique wijk Bezuidenhout. Opeens ziet hij in een deuropening van een woning een gillende en hevig bloedende vrouw staan.

Beuger bedenkt zich niet, zet meteen zijn tram stil en stapt uit. „Die vent die daar loopt, die gooide iets over de muur”, roept iemand. Dit moet haast wel iets met die gewonde vrouw te maken hebben. Beuger gaat achter de onbekende man aan, net als tramconducteur Jacobus van der Velde en de toevallige passant Dirk Plaat.

Ze hebben hem zo te pakken. De onbekende man loopt rustig en verzet zich niet. Even later staan de heren in het huis aan de Bezuidenhoutscheweg 395, de woning waar de gillende vrouw in de deuropening stond.

In de voorkamer ligt een oudere vrouw op de grond. Ze heeft een fikse snijwond in haar hals en is niet aanspreekbaar. In het huis bevindt zich inmiddels ook Dirk Meyer, de tweede conducteur op tramlijn 3. Hij heeft in een nabijgelegen café de geneeskundige dienst gebeld en heeft zich met anderen ontfermd over de vrouw op de grond en de jongere gewonde vrouw die alarm sloeg.

Een halfgeopend scheermes

De aangehouden man is nog altijd de rust zelve, ook als de politie arriveert en de jongste van de twee gewonde vrouwen hem aanwijst als dader. Zijn naam: Wiebren Kromhout van der Meer. Even later vindt de politie in de tuin zo’n 20 meter verderop een halfgeopend scheermes. De tuin ligt achter een ruim 2 meter hoge muur waar de verdachte die middag iets overheen gooide. De oudere gewonde vrouw bezwijkt nog dezelfde dag aan haar verwondingen. Het is Elisabeth Oden (72), een welgestelde weduwe. Het andere slachtoffer is haar 54-jarige huishoudster Fientje Holstein. Zij wordt overgebracht naar het rooms-katholieke ziekenhuis in Den Haag. Daar zal ze maanden behandeld worden voordat ze naar huis mag.

Kromhout van der Meer werd verdacht van moord. De Haagse politie zette hem achter slot en grendel en stelde een onderzoek in. De ontslagen stationschef bleek al enige tijd in de residentie te wonen. Nadat hij tussen november 1926 en juni 1927 in Leeuwarden zijn straf voor de verduistering van gelden van de trammaatschappij in Drenthe had uitgezeten, was hij in zijn eentje naar de hofstad verhuisd.

Op kamers bij een neef van de welgestelde weduwe

Daar leidde hij een rafelig bestaan. Hij werkte enige tijd als huisknecht bij een ingenieur en was actief in een schrijfkamer, een plek waar daklozen, ex-detineerden en andere werklozen die konden schrijven aan een baan geholpen moesten worden. In de winter voor de moord verbleef hij in Hotel Elim, een onderkomen dat werd gerund door het Leger des Heils.

Zijn in Friesland woonachtige vrouw en kinderen zag of sprak hij niet meer. Wel stuurde hij hen ongeveer een keer per maand een brief. Soms was de toon opgewekt van aard, soms zwaarmoedig. ,,Dan schreef hij dat hij bang was dat hij nooit meer een betrekking zou krijgen en dat wij nooit meer bij elkaar zouden komen’’, aldus zijn echtgenote.

De laatste twee weken voor de moord huurde de toen werkloze Kromhout van der Meer in Den Haag een kamertje bij Karel Blom en Louise Ritter. Hij kende dit stel al langer. Blom was een neef van weduwe Oden aan de Bezuidenhoudscheweg. Meermaals had Kromhout van der Meer gehoord dat deze vrouw zeer vermogend was. En nu was juist deze vrouw met een scheermes om het leven gebracht en haar huishoudster zwaar toegetakeld.

Het zag er beroerd uit voor de verdachte. Meerdere mensen zagen Kromhout van der Meer uit de woning van de vermoorde weduwe komen en ook was gezien dat hij het bewuste scheermes over een muur gooide. Bovendien had de gewonde huishoudster hem aangewezen als dader.

 Bij de politie meldde zich een barbier die vertelde dat het scheermes wel erg veel overeenkomsten vertoonde met het mes dat hij maanden daarvoor aan de verdachte in bruikleen had gegeven. De oud-Emmenaar had het mes nodig om eksterogen van zijn tenen te snijden, zo zou hij hebben verklaard. De barbier zag het mes pas na de moord voor het eerst weer terug. Er bleek toen een stukje huid op te zitten. Het paste precies op het wondje dat de verdachte op zijn wijsvinger had.

Mysterieus, onbetrouwbaar en soms ook driftig

Meerdere mensen die Kromhout van der Meer langere tijd mee hadden gemaakt, maakten de politie duidelijk dat hij een mysterieuze, onbetrouwbare en soms ook driftige figuur was. Zijn zus Richtje, die hem na zijn ontslag in Emmen tijdelijk onderdak verschafte in Amsterdam, vertelde dat zij met een zekere regelmaat geld miste toen haar broer bij haar logeerde. Zus Aaltje meldde dat haar broer haar dreigde aan het mes te steken toen zij hem vanwege de diefstallen bij zus Richtje ‘onder handen nam’.

De ingenieur bij wie Kromhout van der Meer als huisknecht werkte deed ook een duit in het zakje. Hij vertelde over een bijzondere brief die bij hem op de mat plofte. Daarin stond dat zijn vrouw en kinderen iets naars zou overkomen als hij de huisknecht zou ontslaan. De ingenieur vermoedde dat Kromhout van de Meer de brief zelf had geschreven en zette hem op straat.

Ondertussen bleef de verdachte ontkennen ook maar iets te maken te hebben met de moord op de rijke weduwe. Opvallend: er was niets uit de woning weggenomen. In februari 1930 werd de zaak door de Haagse rechtbank behandeld. De nog verzwakte huishoudster verklaarde daar dat de verdachte de ochtend van de moord al voor de deur stond en zich kenbaar maakte als een vertegenwoordiger van bakkersbedrijf Hus. Dit was de zaak waar Karel Blom werkte. Juist, de neef van weduwe Odem en de man die Kromhout van der Meer de laatste periode onderdak verschafte. Volgens de huishoudster sprak de verdachte ‘s ochtends drie kwartier met de weduwe en kwam hij ‘s middags terug. Daarna hoorde zij opeens een harde gil en even later werd zij zelf met een mes gesneden.

loading  

Voor de rechtbank was het zonneklaar. Kromhout van der Meer was de man die de beide vrouwen met een mes had aangevallen, al bleef het motief onduidelijk. De officier van justitie eiste een levenslange gevangenisstraf, maar zo ver wilde de rechtbank niet gaan. In maart 1930 werd Kromhout van der Meer veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens doodslag en een poging tot doodslag. Dit vonnis werd later dat jaar bekrachtigd door het Haagse Gerechtshof.

De liefde bloeide weer op

Welgeteld 16 jaar zat de veroordeelde achter slot en grendel, in de gevangenis van Leeuwarden. Van zijn vrouw was hij inmiddels gescheiden, maar vanuit de cel bleef hij wel met haar corresponderen. In maart 1946 kwam Kromhout van der Meer vrij en bloeide de liefde met zijn ex-vrouw weer op.

Ze gingen samenwonen in Winsum en eind 1948 gaven ze elkaar voor de tweede keer het ja-woord. De oudste zoon van het stel leefde toen al niet meer. Hij was sergeant-vlieger bij het Nederlands-Indisch leger en kwam in 1939 bij een ongeluk om het leven. Het toestel waarin hij zat stortte bij Ambon brandend naar beneden.

Rattengif in de broodtrommel

Na zijn vrijlating bleef het ogenschijnlijk een kleine tien jaar rustig rond Wiebren Kromhout van der Meer. De politie verdacht hem wel van enkele brandstichtingen, maar bewijs hiervoor werd niet geleverd.

 In de jaren vijftig verkaste het echtpaar Kromhout van der Meer naar een rusthuis in Weidum. Ook Siebe Starkenburg had daar een kamer. Hij nam elke dag brood mee naar zijn werk op de werkvoorziening in Leeuwarden. In juni en juli 1957 smaakte het brood van de toen 60-jarige Starkenburg niet goed. Sterker nog, hij kreeg er ernstige maagklachten van.

Op een dag zag een hulp in de huishouding van het rusthuis dat er bruine vlekken op het brood van Starkenburg zaten. Bovendien rook het brood scherp. Zij schakelde de directie in die vervolgens de politie waarschuwde. Die nam de zaak hoog op. Zij besmeerde het trommeltje van Starkenburg met een vrijwel onzichtbare stof die gele vlekken op de huid maakt. Ook werd een agent in de nabijheid geposteerd.

Op 8 juli 1957 was het raak. De agent zag een man met een overhemd over zijn arm zijn kamer verlaten, naar de keuken toelopen en het broodtrommeltje van Starkenburg meenemen. Waarschijnlijk vermoedde de man onraad, want al heel snel legde hij het trommeltje weer terug. Voor de politie was er voldoende redenen om de man op te pakken. Zijn naam: Wiebren Kromhout van der Meer, inmiddels 73 jaar oud. In zijn kamer werd rattenkruid gevonden. Het bleek het materiaal te zijn dat steeds op de boterhammen van Starkenburg was gesmeerd.

Kromhout van der Meer ontkent nieuwe poging tot moord

De aanhouding was groot nieuws. En uiteraard bleef het duistere verleden van de verdachte in de kranten allesbehalve onbesproken. Waarom probeerde Kromhout van der Meer nu opnieuw iemand om het leven te brengen? De verdachte ontkende stellig dat dit zijn bedoeling was. Zijn slachtoffer was slechts een proefkonijn voor een zelfmoordpoging, zo verklaarde hij.

 In 1957 was de vrouw van Kromhout van der Meer ernstig ziek geworden en er was weinig hoop op herstel. Volgens de verdachte had hij zijn vrouw voorgesteld om samen een einde aan het leven te maken, maar dat had zij afgewezen. Toen het met haar steeds slechter ging, kocht hij een doosje rattenkruid om na haar dood in ieder geval zijn eigen leven te kunnen beëindigen.

Om uit te testen hoe een lichaam reageert op een bepaalde hoeveelheid rattenkruid, koos hij volgens eigen zeggen Starkenburg uit als proefpersoon. Een man met wie hij geregeld overhoop lag. Toen Kromhout van der Meer tegen de lamp liep, was hij precies tien dagen weduwnaar. Zijn vrouw overleed eind juni in het Diaconessenhuis in Leeuwarden.

 In februari 1958 werd de verdachte door de rechtbank veroordeeld tot twaalf jaar cel en terbeschikkingstelling van de regering. Later dat jaar werd de zaak door het Gerechtshof in Leeuwarden behandeld. De verdachte was een man met een gespleten persoonlijkheid, zo stelde de psychiater die hem had onderzocht. De haat tegen zijn vader zou de wortel zijn van zijn geestelijke ontwrichting.

In de gevangenis voelde hij zich volkomen vrij

De raadsman van Kromhout van der Meer verklaarde dat zijn cliënt hem had verteld dat een gevangenisstraf hem wel welkom was. Want in de gevangenis voelde hij zich volkomen vrij. Daar kon hij lezen, schrijven en heen en weer lopen zonder te worden gestoord. ,,Het klinkt paradoxaal’’, aldus de advocaat.

,,Maar als u deze man tot de gevangenis veroordeelt, stelt u hem werkelijk in vrijheid.’’ De veelbesproken verdachte kreeg zijn zin, het Gerechtshof veroordeelde hem tot tien jaar cel en terbeschikkingstelling van de regering. Lang kon hij niet van zijn ‘vrijheid’ genieten. In maart 1959 overleed Kromhout van der Meer in de gevangenis van Leeuwarden. De merkwaardigste en meest besproken voormalige stationschef van Emmen werd 74 jaar.

Bij het maken van dit artikel is gebruik gemaakt van een groot aantal historische documenten, waaronder het politiedossier over de moord op weduwe Odem, bevolkingsregisters en talloze krantenartikelen.

menu