De gemeenten Meppel en Steenwijkerland willen dat de herkomst van voormalige Joodse eigendommen duidelijk in beeld wordt gebracht. Daarvoor wordt nu een onafhankelijk onderzoek ingesteld.

De colleges van B en W van de twee gemeenten hebben de hoofdlijn in de opdracht voor het onderzoek vastgesteld. Het belangrijkste doel is helderheid te krijgen over de rol van de voorgangers van de Overijsselse en Drentse gemeenten ten aanzien van Joodse bezittingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Meppel en Steenwijkerland bestonden destijds uit veertien zelfstandige gemeenten, waaronder Meppel, Nijeveen en Steenwijk. De huidige gemeente Steenwijkerland telde twaalf afzonderlijke gemeenten.

Voor het onderzoek komen individuele historici, het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies of een universiteit in aanmerking. De burgemeesters Richard Korteland van Meppel en Rob Bats van Steenwijkerland maakten dit donderdagmiddag bekend. De raad van Meppel heeft al om een onderzoek gevraagd. Voor de raad van Steenwijkerland komt het nog op de agenda.

Erkennen

„De uitkomst van het onderzoek geeft gelegenheid om zaken te erkennen, te zorgen voor een respectvolle afhechting en dit mee te nemen in onze herdenkingen”, aldus de verklaring van beide burgemeesters.

Hoewel de opdracht van het onderzoek voor beide gemeenten dezelfde is, kan de onderzoeksvraag per gemeente op onderdelen verschillen. Burgemeester Bats heeft overleg gehad met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap in Steenwijk. De bezetter is in Meppel zo rigoureus te werk gegaan, aldus burgemeester Korteland, dat er geen officieel restant van de Joodse gemeenschap in Meppel meer is. Voor zowel Meppel als Steenwijkerland wordt een afzonderlijk onderzoeksrapport opgesteld.

In Meppel is reeds veel onderzoek gedaan en zijn veel gegevens boven water gekomen. Historicus Thijs Rinsema heeft een boek geschreven over de voormalige Joodse huizen die na de massale deportatie op 3 oktober 1942 leeg kwamen te staan.

Geen onroerend goed

Uit onderzoek blijkt dat de gemeente Meppel in de Tweede Wereldoorlog geen onroerend goed van Joodse eigenaren heeft gekocht. Na de bevrijding werden Joodse eigenaren dan wel hun erfgenamen of bewindvoerders ook niet geconfronteerd met openstaande rekeningen over niet betaalde belastingen over de jaren 1943, 1944 en 1945, zoals in vele andere gemeenten. Dat is uitgezocht door het tv-onderzoeksprogramma Pointer .

Burgemeester Rob Bats weet dat er Joodse panden in Steenwijk zijn verkocht en bij het onderzoek worden betrokken. Mogelijk waren er ook Joodse eigendommen in Vollenhove en Blokzijl die in vreemde handen terecht zijn gekomen. „Dat gaan we met het onderzoek inzichtelijk maken”, zei hij.

Beheer

Het beheer van Joodse huizen werd in 1942 overgedragen aan de Niederländische Grundstückverwalting (NGV) en aangetekend in de openbare registers van het kadaster. De Joodse eigenaren verloren iedere zeggenschap. De NGV kreeg de bevoegdheid de panden te verkopen. Ze droeg het beheer van de geroofde goederen over aan Nederlandse beheerders, Verwalter genoemd, die sympathiseerden met de Duitse bezetter.

‘De meeste percelen werden in handen gegeven van het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen, waarvan de medewerkers bij voorkeur tot de NSB behoorden’, aldus een artikel van Rien Smit in het decembernummer van het blad van Stichting Oud Meppel. Volgens het onderzoek van Smit zijn in Meppel circa 110 panden van Joodse eigenaren onder beheer van de NGV gesteld. De helft daarvan kwam uiteindelijk in andere handen terecht. Een aantal panden van Joodse eigenaren werd verhuurd of ter beschikking gesteld aan de Wehrmacht.

Notarissen

„In het netwerk van roof, ontneming voor een te laag bedrag, heling en doorverkoop van Joodse panden speelden de notarissen een sleutelrol”, aldus Smit. Zij lieten de akten passeren waarmee de ontneming werd vastgelegd. ,,Het gedrag van de notarissen als de boekhouders van diefstal bij de Jodenvervolging is tijdens de bezetting en daarna grotendeels onzichtbaar gebleven. Het hoofdbestuur van de Broederschap van Notarissen adviseerde haar leden in die donkere jaren om hun persoonlijke geweten bij de ambtsuitoefening niet te laten meewegen en de maatregelen loyaal uit te voeren”, aldus Smit in zijn artikel in het blad van Oud Meppel.

Na de bevrijding werd slechts een klein deel van de notarissen uit het ambt gezet. De lijst van verkochte panden in Meppel vermeldt twee notarissen uit Meppel: Ludwig Westra, gevestigd aan het Zuideinde, en Jan Snippe die kantoor hield aan de Heerengracht.

Bijna de helft van de 54 verkochte Joodse panden is in handen gekomen van elf in Meppel woonachtige personen of bedrijven. De Meppeler meubelmaker Cornelis van der Vegte, lid van de NSB, heeft een kleine miljoen gulden aan de Duitsers verdiend. Hij verkocht meubels aan de Duitse Wehrmacht. Hij wist zeven panden te verwerven. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot 2 jaar voorwaardelijke internering en het verlies van het kiesrecht voor 10 jaar.

Steenwijk

Aannemer Cornelis Witziers uit Steenwijk, ook lid van de NSB, bouwde mee aan het militaire vliegveld in Havelte. Zijn totale omzet in de oorlog bedroeg ruim 1,7 miljoen gulden. Hij kocht twee panden van de weduwe Van Zuiden aan de Reestsingel, de woning van Isaac Stern aan de Ambonstraat en twee huizen in Steenwijk.

Twee andere kopers waren Egbert Spiker en Harmen Barneveld, beiden lid van de Nederlandse Landmacht. Ze voerden in opdracht van de Duitsers in Meppel een waar schrikbewind, aldus Rien Smit. Spiker kreeg het pand van Joël van de Rhoer aan de Stationsweg en de kiosk op het Kerkplein onwettig in zijn bezit. Hij liet de kiosk gebruiken door de Nationale Jeugdstorm en de NSB. Hij werd voor zijn oorlogsmisdrijven tot 13 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Teruggave

Bij het rechtsherstel van percelen na de oorlog was er vrijwel altijd sprake van teruggave aan de betreffende Joodse eigenaar dan wel aan diens erfgenamen. Als er niemand meer van de Joodse families in leven was, werd een bewindvoerder aangesteld. De oorspronkelijke eigenaar moest eventuele kosten voor onderhoud en verbouwingen, investeringen en afgeloste hypotheek aan de oorlogskoper terugbetalen. Het gebeurde regelmatig dat het pand noodgedwongen aan de oorlogskoper werd aangeboden. Ook werd de financiële kwestie onder druk geschikt.

Hoewel het onroerend goed in de oorlogsjaren was geroofd van de oorspronkelijke eigenaren eisten verschillende gemeenten alsnog de betaling van lokale belastingen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gemeente Meppel openstaande rekeningen na afloop van de bezetting alsnog aan de Joodse eigenaren, hun erfgenamen of hun bewindvoerders hebben gepresenteerd. Of dit in Steenwijk en omringende plaatsen in het huidige Steenwijkerland wel is gebeurd, wordt nu onderzocht.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meppel