Illustratie uit 'Dagboek vader Louw'.  Een fietstocht door Drenthe, Overijssel en Gelderland. 24 juli - 13 augustus 1917.  De fietsende jongens.

Vakantiedagboek uit 1917 laat zien hoe vijf jongens door Drenthe, Groningen, Friesland, Overijssel én Gelderland fietsten

Illustratie uit 'Dagboek vader Louw'. Een fietstocht door Drenthe, Overijssel en Gelderland. 24 juli - 13 augustus 1917. De fietsende jongens. Foto: Ellens

Jongens waren ze - aardige jongens. En ze trokken op de fiets door Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland, in de zomer van 1917. Hun fraai geïllustreerde vakantiedagboek ligt in het Nationale Vlechtmuseum in Noordwolde en schetst een idyllische tocht door een ander Nederland. Over koken op kugjes, zingen ‘dat het davert’, en tekenen, tekenen, tekenen.

‘k Word wakker. Slaperig rek ik me uit en geeuw. Op eens spring ik uit m’n bed. ’t Is vandaag de dag van onze groote tocht. ‘k Wasch me, de zeepvlokken vliegen om m’n ooren en kleed me dan haastig aan. Daar hoor ik Dries beneden al roepen. O, hemel, ik heb me verslapen. Het aankleden gaat nu nog vlugger. Eindelijk ben ik klaar, ren de trap af en eet beneden m’n boterham. Jan de Jong komt inmiddels ook. Gelukkig dat de vorige dag alles ingepakt was. Nog even kijken of ik m’n broodkaarten bij me heb. In orde. Voor de zooveelste maal krijg ik nog waarschuwingen, om niet te dicht bij de grens te komen, niet in ’t water te vallen, geregeld alle dagen te schrijven enz. Dan nemen we afscheid en fietsen weg, de wijde wereld in.

Wat zijn we vroolijk, we willen het wel uitschreeuwen. Alle menschen die we tegen komen, zeggen we schreeuwerig goeiendag. Ze knikken ons toe, lopen door en draaien zich dan om, terwijl ze ons nazien tot we uit het gezicht zijn.

Ja, de jongens gaan op wilde avonturen uit. Bij meester Mulders halen we Hanny en Harry en de tent op. Nu zijn we voltallig. We zingen, dat het davert. ’t Is prachtig weer, er zit geen wolkje aan de lucht en de zon schijnt heerlijk.

Zo begint het vakantiedagboek van vijf jongens uit Noordwolde, op 24 juli 1917. De Eerste Wereldoorlog woedt, maar ver weg, helemaal in het buitenland. Jan Kraan (16), Johannes (Hanny, of Hansen) Mulders (18), Jan Folkert de Jong (bijna 15), Andries Mulder (15) en Harry ‘Sinbad’ Ellens (16) zoeken geen oorlog, ze doen wat stoere jongens doen: ze maken een fietstocht en gaan kamperen in een tent. Hun vaders hebben carrière gemaakt: Harry’s vader Harm is directeur van de Rijksrietvlechtschool, Dries’ vader is huisarts, Johannes’ vader schoolhoofd in Boijl, de vaders van Jan Kraan en Jan Folkert de Jong verkopen levensmiddelen. Maar deze jongens willen nog geen carrière. Ze gaan op avontuur.

loading

Met z’n vijven

‘Met z’n vijven’, zo heet hun dagboek dat tegenwoordig in het depot ligt van het Nationaal Vlechtmuseum in Noordwolde. Het is geschonken door Berend de Jong, zoon van Jan Folkert; een dik schrift, de tekst vervat in het keurig rechtshellende schoonschrift van Harry’s zus Hilda, die na hun thuiskomst de hanenpoten van de jongens ‘in het net’ overschreef.

Dagboeken bezitten als geen andere historische documenten de kracht om de lezer terug te zetten in de tijd. Maar wat dit dagboek speciaal maakt zijn de illustraties. Jan Kraan en Johannes Mulders waren toen nog geen beroemde illustratoren, maar zouden het wel worden.

In zes hoofdstukken beschrijven de jongens hun tocht, die op 24 juli 1917 in Noordwolde begon en daar op 13 augustus van dat jaar zou eindigen. Door Drenthe ging het, vervolgens door Overijssel, langs de grens van Twente en over de Veluwe terug naar huis. Langs – heeft u even? – Doldersum, Appelscha, Diever, Ansen, Ruinen, Echten, Arloo, Dedemsvaart, Ommen, Vilsteren, Den Ham, Wierden, Almelo, Tubbergen, Vasse, Ootmarsum, Delden, Haaksbergen, Rietbergen, Neede, Eibergen, Groenloo, Lichtenvoorde, Varsseveld, Doetinchem, Hengelo, Schaarsbergen, Ede, Uddel, Staverden, Leuvenum, Elspeet, Apeldoorn, Twelloo, Deventer, Raalte, Dalfsen, Meppel, Havelte en via Frederiksoord terug naar Noordwolde.

loading

Titaantjes

Veertig plaatsen in drie weken; ze draaiden er hun hand niet voor om. Titaantjes waren ze, net als de vijf jongens uit het verhaal dat de schrijver Nescio twee jaar eerder, in 1915, had geschreven. Jongens die reikhalzend uitzien naar de toekomst. Jongens die vermoeden dat de wereld aan hun voeten ligt. Jongens, maar aardige jongens, in een herberg in Ansen:

Met Hansen voorop stappen we de herberg binnen en gaan aan een tafeltje, voor een met vliegen bezaaid venster zitten. Aan een tafeltje zit een ‘meneer’, sjofel gekleed, met een halsdoek om, inzwevend tusschen een landlooper en een koopman.

De dikke herbergierster bedient ons.

“Zullen de heeren een fietstochtje mèken?”

“Ja, een tochtje van een week of drie.”

“Gunst, gunst”, zegt ze en slaat de handen in elkaar.

“En woar goa’j dan vo’ral hèn?”

“Nou, eerst wat in Overijssel zien en dan zoo door de Achterhoek en de Veluwe naar huis terug.”

“Zeg, wat jully doen moesse,” zegt de koopman-landlooper, “jully moesse naar Maastricht gaan enne bij Nijmegen, bij Berg en Dal is ’t ook fijn. Ja, als jully nou wat fijns wil zien, moesse jully dat doen. ‘k Ben wel overal gewees, in Duitschland wel en in Zwitserland, maar Berg en Dal…….!”

“Wol je de heeren heelemoale naar Mestricht hebben”, zegt de herbergierster weer.

‘’Nou, wa zou dat! In één dag fiets je ’t heele land door, van ’t Noore tot ’t Zuije; en zoo’n paar honderd kilometertjes per dag, ’t kan best hoor!”


loading

Een ander Nederland

Nederland ging dit jaar en masse in eigen land op vakantie. Dit dagboek vertelt over een ander Nederland-vakantieland. Waar je water dronk uit de heldere beek. Waar je melk haalde van de boer om pudding te maken en rogmaltine te eten – een havermoutvervanger. Waar het brood op de bon was, je kookte op spiritus en ‘s avonds geen lachgas tot je nam, maar een pijp rookte. Waar je geen selfies maakte, maar tekende. Een Nederland zonder slaapzakken. Zonder caravans, tuinsetjes, ‘wijntjes doen’, bijpassende koffiemokken, een Nederland met lange wifi-loze avonden.

‘s Avonds laat als ’t donker is, zitten we met z’n vijven om een kaars in de tent. De hoofden zijn bij elkaar gestoken. We praten over visschen, wat we morgen zullen doen en over ’t fijne kampeeren. De een na de ander kruipt in de deken. Als we er allemaal in liggen blaast Dries de kaars uit en gaan we slapen.

Dit was een begrensd Nederland, neutraal in de oorlog, waar evenwel de smokkelhandel met Duitsland bloeide als nooit tevoren. In Ootmarsum kunnen de jongens het niet laten: ze gaan naar ‘de strook’, om te kijken waar die oorlog was. Tot een Duits-Nederlands treffen komt het niet:

Een 50 meter verder is over de weg een ketting gespannen en voor een huisje zien we zes of zeven moffen om een tafeltje zitten; ze hebben groene poenthelmen op. In de deur van het Hollandsche grenskantoor zijn eenige heeren verschenen en ze kijken naar ons, wij kijken naar de Duitschers en de Duitschers weer naar ons. Eén van de Hollandsche kommiezen komt naar ons toe en zegt, dat we terug moeten gaan: het is verboden voorbij het grenskantoor te gaan. Als je zoo dicht bij de grens komt, zou je zoo makkelijk iets kunnen ‘overlangen’. We gaan dus terug. De lucht is betrokken, er vallen al dikke droppen. Ik steek een pijp op. Eén van de Duitschers is opgestaan en nabij de grens gekomen. Hij heeft misschien nog juist de geur van m’n fijne heerebaai kunnen ruiken.


loading

Jongens werden mannen

Op 13 augustus rijden ze Noordwolde weer binnen, na hun laatste dubbeltje aan een jongetje te hebben gegeven, zodat ze ‘geen spie meer’ zouden hebben, zoals Harry Ellens schreef. Het leven hernam zijn gang, zoals dat gaat. De eerste wereldoorlog werd gevolgd door een tweede. Jongens werden mannen.

Dries zou na de Tropische landbouwschool in Deventer als rubberplanter op Sumatra gaan werken, trouwde met de handschoen, kreeg een zoon. Toen de oorlog kwam, werd hij ingezet bij aanleg van de Birmaspoorlijn, maar hij zou het overleven. Terug in Nederland werd hij directeur van de Phoenix krattenfabriek in Halfweg, op latere leeftijd verhuisde hij naar Blokzijl omdat hij het eieren zoeken en vissen zo miste. Hij overleed in 1977 aan longkanker.

Harry Ellens zou zijn hang naar zee nooit verloochenen. Hij trok naar Nederlands-Indië, trouwde daar en werd kapitein op de Ombillin, een Nederlands koopvaardijschip dat de Indische archipel bevoer. In 1942 werd zijn schip neergehaald door een Italiaanse onderzeeër. Harry’s vrouw en kinderen zaten in een Jappenkamp, Harry zelf zou tot zijn bevrijding in 1945 bij Hamburg in een kamp worden opgesloten. Hij stierf in 1973, evenals Dries aan longkanker. Hij kreeg vier kinderen. De jongste, Louwrens Ellens, woont in Warfhuizen.

Jan Kraan zou tekenles volgen bij Harry’s vader Harm Ellens, zou evenals als Johannes Mulders afstuderen aan de kunstacademie in Den Haag en werd reclametekenaar en illustrator. In 1938 verhuisde hij naar Bern, waar hij hoofdtekenaar werd bij de Trick Film Studio. Hij werd in 1978 geridderd door koningin Juliana. Hij stierf in 1988 in Bern.

Johannes Mulders werd een gerenommeerd illustrator en schilder, befaamd om zijn tekeningen van het Noordelijk landschap. Hij zou zijn geliefde Weststellingwerf nooit verlaten en woonde vanaf 1934 op De Wilgenhorst, het huis dat Harry’s vader Harm Ellens had ontworpen en bewoond. Hij overleed in 1989 in Wolvega.

De naam Jan Folkert de Jong staat op een oorlogsmonument in Noordwolde. Hij werd eind 1944 samen met enkele tientallen dorpsgenoten opgepakt, met de laatste trein uit Kamp Amersfoort via Neuengamme naar werkkamp Wöbbelin vervoerd. Daar werd hij op 2 mei 1945 door de geallieerden bevrijd, maar hij bezweek acht dagen later aan de doorgestane ontberingen.

Hoe hun levens zouden lopen, dat idylles maar zo kort duren, dat wisten de jongens toen allemaal nog niet. Wat rest, is hun dagboek, het verslag van een tijd dat ze gelukkig waren en jong, en de wereld vol tintelende verwachting was. Toen ze zongen dat het daverde. Toen ze sliepen als mollen. Toen ze lagen in het gras naast de beek, in de zomer van 1917.

loading  

menu