Maatwerk moet aardappelmoeheid in de kiem smoren

Foto: ANP Foto: ANP

De aanhoudende en soms moeizame strijd tegen aardappelmoeheid gaat een nieuw hoofdstuk in. In de afgelopen drie jaar hebben tachtig telers uit de Drents-Groningse Veenkoloniën samen met het platform Innovatie Veenkoloniën gezocht naar een antwoord op toenemende besmettingen.

Belangrijkste conclusie is dat er geen eenduidig antwoord bestaat op aardappelmoeheid. Maatwerk wat betreft aanplant moet soelaas bieden, aldus projectleider Egbert Schepel, die samen met de boeren een nieuw tweejarig traject ingaat.

Schepel is verbonden aan Hilbrand Laboratorium in Wijster, dat zich al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bezighoudt met het beheersen van de problemen met aardappelmoeheid. „In het verleden werd de oplossing vaak gezocht in chemie. Tegenwoordig ligt het accent vooral op de kweek van resistente aardappelrassen. Soorten waarop de ziekte moeilijker vat heeft.”

Tijdrovende klus

Met deze oplossing boekten telers goede resultaten, maar rond 2010 vond er een kentering plaats. ,,Het aantal besmettingen nam plotseling toe. De moeheid werkt net als met bepaalde ziektebacteriën, die na verloop van tijd toch vat krijgen op het weerstandsvermogen.” Het afgelopen decennium heeft in het teken gestaan van het kweken van een nieuwe, robuuste aardappelgeneratie. Een tijdrovende klus, aldus Schepel.

„Genetische modificatie is binnen Europa not done , dus moeten we het van het ouderwetse kweekwerk hebben. In de tussentijd evolueren de besmettingen ook en dat maakt het lastig om met een permanente oplossing te komen.”

In essentie draait het bij aardappelmoeheid om een schadelijk aaltje, dat overleeft in een cyste. Dit is een soort builtje op de aardappel ter grootte van een potloodpunt. In elk bolletje kunnen honderd larven zitten. De aaltjes tasten de plant en de grond aan, waardoor gewassen niet meer goed groeien.

Binnen de perken

Bij hogere besmetting komt het gewas letterlijk en figuurlijk nauwelijks van de grond met als gevolg een magere opbrengst. De financiële schade voor telers is momenteel nog relatief beperkt, zegt Schepel. „Met alle middelen die wij voor handen hebben, proberen wij dat zoveel mogelijk te beperken. Als je het niet goed doet, dat raakt 30 tot 40 procent van je totale oogst aangetast.” Momenteel ligt dat percentage op 5 tot 10 procent, maar alle zeilen moeten voortdurend bij om de aardappelmoeheid binnen de perken te houden.

Vanwege de toenemende problemen werd er vanuit het platform Innovatie Veenkoloniën in 2016 een projectgroep opgericht, die zich hierover moest buigen. In totaal haakten tachtig telers uit de Veenkoloniën aan. Na drie jaar kwam dat ten einde. Voornaamste conclusie is dat er geen eenduidige aanpak is er voor aardappelmoeheid, stelt Schepel. Maatwerk moet de oplossing bieden en daarom werd er vorige maand een vervolgtraject opgestart met praktisch dezelfde groep.

Aangetaste grond onder de loep

,,De komende twee jaar gaan wij percelen intensief onderzoeken. We nemen monsters van de aangetaste grond, onderzoeken vervolgens welke rassen het beste bestand zijn tegen de aangetroffen besmetting en adviseren vervolgens de telers welke soorten ze het best in hun grond kunnen steken.”

Dit project loopt tot eind 2021. ,,Maar ik ga ervan uit dat dit ook weer een vervolg gaat krijgen. We kopen momenteel tijd. Zodra we nieuwe soorten hebben, kunnen we weer meters maken.” Schepel erkent dat de strijd tegen aardappelmoeheid een eindeloze cirkel is en blijft. ,,Je bent altijd te laat. Als nieuwe vormen van aardappelmoeheid de kop opsteken kun je slechts achteraf reageren.”

menu