Frankrijk 1998. Veel zin om op de foto te gaan had de jonge Wieberen kennelijk niet. Let ook op de motorkap van de auto, die na een aanrijding niet meer goed sloot.

Droomvakantie: Wieberen Elverdink mocht na lang zeuren éindelijk naar Frankrijk (en botste op dag 2 tegen een caravan)

Frankrijk 1998. Veel zin om op de foto te gaan had de jonge Wieberen kennelijk niet. Let ook op de motorkap van de auto, die na een aanrijding niet meer goed sloot. Eigen foto

Reisbeperkingen maken de vakantie er deze zomer niet leuker op. Maar in gedachten kan alles. Dus dromen we in de zomerbijlage lekker weg naar die bijzondere vakantie van toen. Aflevering 4: Frankrijk.

Dans la vallée, oh oh,

De Dana, lalilala

Dans la vallée, oh oh,

J’ai pu entendre les échos

Een slip. Een knal. En daarna alleen het piepen van de ruitenwissers.

Op de D438, de departementale weg tussen Sées en Alençon, bonsde de wanhoop in mijn puberhoofd. Eindigde de droom hier, te midden van akkers en loodsen, nog voor ‘ie feitelijk begonnen was?

Ik stapte uit, de miezer in, en monsterde het Peugeootje 306 van mijn vader: verbogen motorkap, kapotte radiateur, kromgeslagen trekhaak.

Achter ons stegen onheilspellende dampen op uit de Nissan van Oom Roel, die in onze aanhanger met kampeerspullen was geschoven, zoals wij zelf de Engelse caravan voor ons waren binnengegleden.

Hoe zei je self fulfilling prophecy in het Frans?

Eis: wij willen naar Frankrijk!

Het was juli 1998. Eindelijk hadden we onze ouders zover, mijn broer, mijn neven, mijn nichtje en ik. Ein-de-lijk waren ze gecapituleerd voor onze aanhoudende roep, onze wens, nee éis, om de bakens te verzetten.

Jarenlang hadden we onze gezamenlijke tentvakanties doorgebracht in Nederland. Niks mis mee: zoet waren de herinneringen aan Texel en Zeeuws-Vlaanderen. Maar diep van binnen zwol een verlangen aan de horizon te verbreden.

Naar Frankrijk, het beloofde vakantieland, het land dat je kende van de atlas, van de verhalen en ansichten van vrienden, het land waarover je fantaseerde tijdens het zesde uur Frans van mevrouw Broek ( madame Pantalon ) in lokaal 214.

In Frankrijk scheen de zon altijd, daar waren de stranden maagdelijk, de golven hoog, de avonden lang en de meiden zo mooi dat je … afijn, Frankrijk dus.

Maar het land had ook een nadeel: het lag ver weg. Althans, als je weinig gewend was, als je een hekel had aan autorijden, zoals mijn ouders, als de gedachte aan knooppunt Joure je al zweethanden bezorgde.

In de aanloop naar de zomer van 1998, ik was 17, waren de geesten eindelijk rijp. Lees: toen waren mijn ouders en oom en tante ons gejengel over la douce France zo beu dat ze zuchtend zwichtten. Op één voorwaarde: we zouden zo ver mogelijk van Parijs blijven, dat infrastructurele labyrint waaraan niemand zonder schade ontsnapte, de Bermudadriehoek aan de Seine, die argeloos vakantieverkeer verzwolg.

Dus volgden we op onze route naar de Vendée, aan de Atlantische kust, een alternatief westelijker, veiliger spoor, vooraf zorgvuldig met stift op de knisperend uitgevouwen landkaart gemarkeerd.

Een tracé ver van de tolwegen, over regionaal asfalt vol rotondes, dwars door stadjes met dichte luiken, langs eindeloze graanvelden, verlaten benzinestations en verloren bedrijfskubussen.

De avond van de eerste reisdag namen we op het terras van een voor motards bestemd eettentje bezuiden Rouen genoegen met een karig diner, dat bestond uit veel te dure knakworsten en blikjes fris (,,Jongens, ze hebben hier gewoon Coca-Cola!’’).

Twee derde van de kettingbotsing waren wij

De nacht zouden we doorbrengen op een camping municipal in Sées, waar het de volgende ochtend grauw en nat was, maar goed, inpakken en door, zeiden we, de tenten droogden later wel weer, verderop wachtte immers de zon.

Nog geen halfuur later schoven onze auto’s in elkaar, remloos door het natte plaveisel, tegen de caravan van een lieve Engelse dame die een rotonde zou oprijden, maar daar zeer plots toch van afzag.

Een mini-kettingbotsing van drie voertuigen, twee derde deel daarvan waren wij.

De volgende herinneringen: het geclaxonneer, de smalende blikken uit de voorbijrijdende auto’s die het nog wél deden – die dómme toeristen, zag je ze denken.

De hoekige gendarmes, die mij nijdig wegstuurden bij het afwikkelen van het papierwerk, terwijl ik, de 5de klas atheneum net afgerond, van ons gezelschap hun taal nog het beste machtig was.

Het morsige garagebedrijfje in Alençon waar de mensen een heel ander soort Frans spraken dan ik kende van de luisteropdrachten: rauw, binnensmonds, zonder hoorbare interpunctie.

Het verstrijken van de seconden, de minuten, de uren in de donkere werkplaats, voor iemand ook maar naar onze auto’s omkeek.

De tranen – ja, ik huilde, nee jánkte. Tranen van vertwijfeling en zelfbeklag: waarom niet de snelste route genomen, waarom niet de péages , had-ik-het-niet-vooraf-al-gezegd?

Nieuw onderdeeltje en wat terugbuigwerk

Pas halverwege de middag slofte een van de monteurs – een knokige vent, de pet met roetvegen achterstevoren op zijn gegroefde hoofd – naar onze Peugeot en ome Roels Nissan, om na onverstaanbare ruggenspraak met een vleziger collega te concluderen dat het misschien best meeviel met de schade.

Daarna ging het toch nog snel. Nieuw onderdeeltje links, wat terugbuigwerk rechts, een laatste krachtproef – ja, alles zat weer vast – en we koppelden de afgeladen karren weer aan.

Van Alençon ging het richting Le Mans, daarna hobbelde het via Angers en Cholet westwaarts, naar La Roche-sur-Yon, waar de schaduwen langer werden en de bezorgdheid rondom mij toenam: konden we zo laat nog wel terecht op de camping, waarvan we nog zeker 40 kilometer verwijderd waren?

Ik deelde die ongerustheid niet. Het welvende land, de prettige rommeligheid van de stadjes die we doorkruisten, de nieuwe geuren die door het openstaande autoraam naar binnen wolkten, de lomige vermoeidheid – alle spanning van de voorbije uren gleed van mij af.

En terwijl de avondzon de lucht in quatre-vingt-dix-neuf tinten oranje kleurde, en ik boven op een glooiing voorbij La Roche in de verte de glinstering zag van iets dat de oceaan moest zijn, legde ik onder de klanken van La tribu de Dana – de soundtrack van die zomer – mijn hoofd tegen de gordel te ruste.

Het was goed.

Ik was in Frankrijk.

menu