Wim Timmers met zijn partner Alide van Heck.

Coronapatiënt Wim (91) zou sterven, maar wandelde uiteindelijk zelf het hospice uit: 'Ik was zó ziek'

Wim Timmers met zijn partner Alide van Heck. Foto: René Manders/DCI Media

Wim Timmers (91) uit Sint-Oedenrode wachtte in het hospice op zijn laatste nacht, geveld door corona. Na twaalf dagen wandelde hij echter door de voordeur naar buiten. „Ik heb zijn dodenmasker gezien.”

Vanuit zijn stoel nipt hij aan de koffie, haalt zijn hand een keer door zijn iets te lange grijze lokken en kijkt door het raam naar de Markt van Sint-Oedenrode. Zijn Sint-Oedenrode. „Mijn schoonzoon zegt altijd dat ik waak, dat ik op Rooi pas”, zegt Wim Timmers (91) over het dorp waar hij zowel in de gemeenteraad als de Raad van Elf zat en waar hij werd volgehangen met allerhande onderscheidingen. „Toen ze mij die ambulance inschoven, keek ik naar de Markt. Ik wist zeker dat het de laatste keer zou zijn.”

Te oud en te uitgebreid medisch dossier

Dat de Rooienaar een paar weken later zijn verhaal doet, is eigenlijk niet mogelijk. Hij snapt het zelf ook niet helemaal. „Ik was ziek, zó ongelofelijk ziek”, vertelt hij over de situatie eind maart. „Koorts, longontsteking, buikpijn. De arts van het ziekenhuis zag meteen dat het corona was.” De man heeft nog een boodschap: beademing op de intensive care zit er voor Wim niet in. Hij is te oud, en heeft een te uitgebreid medisch dossier.

Niet dat hij het ziekenhuis zag zitten. Dan zou hij alleen zijn, alleen sterven ook. „Of ik bang was? Ja, ik wilde per se mijn vrouw bij me hebben.” En dus blijft hij thuis waar de 22 jaar jongere Alide dag en nacht voor hem zorgt. Ze kan niet voorkomen dat Wim fysiek rap achteruit gaat, hij is geregeld verward. “Dan hoorde ik mensen mijn naam roepen. En bovenin de boom naast het huis zaten allemaal bekende mensen, familie en vrienden.”

Alsof de mensen die hem lief zijn nog een laatste keer gedag kwamen zeggen, want zo verontrustend is zijn situatie. Die nacht nemen hij en zijn vrouw ook letterlijk afscheid van elkaar. „Hij zei tegen me: ‘Ik word morgenvroeg niet meer wakker’”, vertelt Alide terwijl Wim knikt. „Ja, wat zeg je dan tegen elkaar? We hadden het over hoe de rouwkamer eruit moest komen te zien. En we haalden herinneringen op, van de beginperiode van onze relatie. Hand in hand vielen we uiteindelijk in slaap.”

Potige brandweermannen

De volgende ochtend wordt Wim gewoon wakker. Er wordt besloten hem over te brengen naar het Bijna Thuis Huis in Sint-Oedenrode, een hospice. Een paar potige brandweermannen moet eraan te pas komen om hem naar beneden te tillen. Niemand verwacht dat hij er lang zal liggen. Maar in plaats van tussen zes planken en via de achterdeur, verlaat Wim het pand na twaalf dagen via de vóórdeur. Lopend achter zijn rollator. Dat was ook voor de hospice („Zij hebben echt geweldig voor mij gezorgd”) een primeur. Zijn huisarts noemde het een wonder, Wim bedankt vooral zijn genen: „Mijn opa en oma waren 70 jaar getrouwd, mijn moeder is 100 geworden. Ik kom uit een taaie familie.”

Ondertussen heeft Alide zijn herrijzenis nog niet helemaal verwerkt: „In de hospice heb ik zijn dodenmasker gezien. De huid helemaal strak, een beetje geel”, zegt ze. „Alsof hij elk moment kon overlijden. Ik stelde me er op in dat ik hem zou verliezen. Als dat niet gebeurt - en dat klinkt misschien gek - moet je dat ook even verwerken.”

Verzameling horloges

Ondertussen zit Wim nog altijd in zijn vertrouwde stoel bij het raam. Wat doet het stel in deze ‘bonustijd’? „Genieten. We nemen overal onze tijd voor en eten ‘s avonds bijvoorbeeld uitgebreid”, vertelt Wim. „Ik heb verder een verzameling horloges waar ik graag mee bezig ben, het is geweldig als je een kapot exemplaar weer aan de gang krijgt. En ik pas natuurlijk op Rooi”, vertelt Wim terwijl hij nog maar eens naar buiten kijkt. „En dat blijf ik nog wel een tijdje doen.”

menu