Garnalenvisser Jochem Foppen, de man van Maria Foppen en vader van drie kinderen, kwam om op de Noordzee voor de kust van Texel.

Vissersvrouw Maria werd weduwe: 'Dat ik sliep terwijl hij stierf vind ik zo erg'

Garnalenvisser Jochem Foppen, de man van Maria Foppen en vader van drie kinderen, kwam om op de Noordzee voor de kust van Texel. Foto: Freddy Schinkel

Heel Nederland leeft mee met de familie van de twee Urker garnalenvissers wanneer hun kotter ‘de Lummetje’ op 28 november 2019 van de radar raakt. Maria Foppen (38) probeert met haar kinderen Elisabeth (16), Johannes (12) en Mary-Louize (7) en een heel vissersdorp dat om hen heen staat, te leren leven met het verlies van haar Jochem Foppen (41).

In hun woonkamer op Urk heeft sinds het fatale scheepsongeluk op 28 november vorig jaar nog geen dag géén verse bos bloemen gestaan. Maria Foppen zit op de bank, haar blonde haar opgestoken, de blauwe ogen verstild in een gezicht waar eigenlijk een lach op hoort.

De kamer hangt vol met vrolijke foto’s van Jochem. ,,Het is net een museum’’, zegt Maria glimlachend. Van de Lummetje hangt de barometer aan de muur, de scheepsklok heeft een plekje op de kast. Op de salontafel staat een vitrinekastje met daarachter twee foto’s: een van haar Jochem, en een van Hendrik-Jan, de vissersmaat die eveneens omkwam.

In het vitrinekastje – ‘naast de kinderen het dierbaarste wat ik van Jochem heb’ – ligt Jochems bril, zijn gedroogde scheepsbijbel, het doosje Fisherman’s Friend dat hij altijd meenam, een naald om netten mee te dichten en een foto van hun gelukkige gezin. Alles verweerd, vol met zeepokken. Dat waren de dingen die ze op het lijstje had gezet, die ze hoopte terug te vinden. Het enige wat is weggespoeld, is Jochems weekendtas.

Het schip had van haar op de zeebodem mogen blijven liggen. ,,Maar dan had ik deze spulletjes niet gehad.”

loading


 

Staal dat buigt, welk geweld moet dat zijn geweest?

De berging. Ze wist al maanden dat het nog boven haar hoofd hing. Wanneer ze aan komt rijden in Den Helder ziet ze hem al in het water liggen. De kromgetrokken stalen gieken van de kotter UK165, ‘de Lummetje’, liggen op de kade. Als vissersvrouw Maria dat ziet, gaat haar keel dicht. Staal dat buigt, welk geweld moet dat zijn geweest?

Het is de dag dat de familie het spookschip, dat ooit het trotse levenswerk van haar Jochem Foppen was, kan bekijken. Een week daarvoor, op 10 juni, is het met stalen kabels van de zeebodem getild. Daar is ze niet bij, maar krijgt wel live de foto’s te zien. Haar hart gaat tekeer, ze zit weer midden in die week van toen.

Het is een tragische aanblik, het schip dat achter de berger aan de haven in wordt gesleept . In het halfjaar dat het op de bodem lag, heeft de zee het overgenomen. Het liep vol met klei, kokkels vonden het schip, zeepokken zogen zich vast op het interieur, zeewier groeide overal en gaf het een lugubere, groene jas.


Maria is onrustig deze week

Terug naar donderdag 28 november 2019. Maria’s wekker gaat, zoals iedere ochtend, om zeven uur. Normaal gesproken snoozet ze dan nog even. Maar niet deze dag. Ze is onrustig. Op zee is het al dagen onstuimig, ze slaapt de hele week slecht door de wind, en ze denkt aan Jochem.

De avond ervoor had ze hem nog aan de telefoon vanaf de Lummetje. Ze bellen elkaar elke avond. Meestal zijn ze na 5 minuten wel uitgepraat, nu praten ze een kwartier. ‘Het allerbelangrijkste is dat wij elkaar houden mogen. We gaan er een fijn weekend van maken, schat’. Dat zijn de laatste woorden die ze van hem zal horen.

Voordat ze opstaat kijkt ze op een app waarmee ze precies kan zien waar Jochems schip ligt. Meestal is er geen verbinding en ziet ze een lichtoranje scheepje, in plaats van een donker oranje scheepje – wel verbinding. Zo ook nu. Gelukkig, hij ligt er nog, denkt ze.

,,Het is rond kwart voor zes gebeurd. Dat vind ik zo erg. Dat ik gewoon lag te slapen, terwijl hij stierf. Daar heb ik heel veel last van. Ik dacht dat je dat wel zou voelen als je zo verbonden bent met elkaar zoals wij.”

Liefde van haar leven

Maria kent Jochem sinds haar veertiende. Hij is de liefde van haar leven. ,,Een lekker ding’’, lacht ze. Ze komen beiden uit een vissersgezin, trouwen en niet veel later komen er kinderen. Het vissen zit hem in het bloed en hoewel zijn vader – wiens vader en broer op zee zijn gebleven - liever niet heeft dat hij visserman wordt, doet hij het toch.

Hij is een visserman in hart en nieren. Niet bang, maar wel behoedzaam voor de zee. Kapot is hij van vrienden die hij er verloor. Ook Maria heeft in haar familie gezien wat de impact is van vissersmannen die niet gevonden worden. Daarover, over het gevaar op zee, en over de kans dat hij een ongeluk zou krijgen, praten ze niet. ‘Het gaat vaak net goed’, zei hij weleens.

Jochem Foppen is een vrolijke man, altijd wat leuks te vertellen. Als hij thuis is, is hij volop in de weer met de kinderen, draagt zijn vrouw op handen. Ze hebben lol. Wanneer ze staat te koken, komt hij ineens aanzetten en tilt hij haar hoog op. En ze hebben hun vaste tradities. Zaterdags gaat hij heel vroeg in de polder hardlopen. Ze bezoeken de schoonouders, eten gebakken vis, en ’s middags neemt hij de kinderen mee naar de loods om op oldtimerscootertjes te rijden.

Als hij zeven jaar geleden na een hartstilstand gereanimeerd moet worden, krijgt hij zoals Maria het zegt: ‘levensernst’. ,,Toen heeft de dood wel op zijn schouder geklopt.” Het gezin gaat nog bewuster van elkaar genieten. Ze leven van weekend naar weekend. Ze zijn nog altijd zo verliefd. Als hij eens een weekend overblijft op zee, voelt het kaal en stil.

loading

Kus en een knuffel

Dat weekend gaat hij zoals altijd op zondagavond weg. ,,Je zegt altijd ‘genacht’, dat betekent op Urk: het is goed, geestelijk en lichamelijk. Je geeft elkaar een kus en een knuffel, en ik zei zoals altijd: wees voorzichtig en kijk goed uit. Want vissen is een gevaarlijk beroep. Heel Urk weet dat het zo afgelopen kan zijn.”

Ze moet die ochtend zelf naar school, maar omdat het zo hard regent, brengt ze eerst haar oudste dochter Elisabeth (16) naar de bus. Vervolgens ontbijt ze samen met haar zoon Johannes (12) en jongste dochter Mary-Louize (7). ,,Om kwart voor acht hoorde ik iemand roepen bij de achterdeur.” Ze gaat kijken en ziet de moeder van een vriendinnetje van haar dochter Elisabeth. ,,Haar man is ook visserman en een vriend van Jochem op zee, ze geven vaak hun vangsten aan elkaar door. Haar gezicht was nat door de regen, ze hield een zakdoekje bij haar neus. ‘Maria, hoe is het hier?’ Ik keek haar aan en ik zei meteen: ‘Niet goed, is het Jochem?’”

Maria’s handen rusten gevouwen in haar schoot, tranen lopen over haar gezicht. ,,Ze heeft het niet eens gezegd, ze heeft het niet eens verteld. Ik zag het en ik wist het meteen.” Haar zoontje komt aanlopen en vraagt: ‘Is het mijn vader?’ Hij begint uit onmacht en verdriet tegen de deur te trappen.

De vrouw is verbaasd dat Maria nog van niks weet. Haar man had haar gebeld dat Jochem niet meer op de radar was en dat de vissers allemaal aan het zoeken zijn. ,,Het is afgelopen, het is voorbij, dat voelde ik meteen. Ik liep met haar naar de keuken en vroeg of ze haar man nog eens wilde bellen om te vragen wat er gebeurd is. Ze belde: ‘Ik ben bij Maria en hier weet niemand nog iets. Wat is er waar van dat verhaal?’ Ik hoorde hem zuchten en zeggen: ‘Laat Maria Jochem maar proberen te bellen’.’’

Haar vingers trillen onbedaarlijk wanneer ze de toetsen van de telefoon moet indrukken. Als het dan toch lukt, hoort ze dat de scheepstelefoon niet meer overgaat.

Op dat moment stopt de politie voor de deur. Ze doet totaal overstuur open, de politie weet niet meer dan dat er een noodsignaal is uitgegaan. ‘Rustig mevrouw, er is nog niks aan de hand, we weten nog niks’, zegt hij. Waarop Maria zegt: ‘Niks aan de hand? Als je op Urk woont, weet je dat het dan is afgelopen.’


Ik moest overgeven, zo beroerd werd ik ervan

Ze belt haar moeder, haar schoonzus, haar buurvrouw. Ook de dominee wordt ingeseind, die gaat het aan de ouders van Jochem vertellen, die tegenover wonen. Dan legt ze haar telefoon weg en zal hem die week niet meer aanraken. Het huis stroomt vol met mensen. Een familierechercheur, ‘een heel lieve vrouw’, zal haar steeds op de hoogte houden. Ook de vader van Hendrik Jan, die ze eigenlijk helemaal niet kent, komt en neemt haar in zijn armen.

Ergens die ochtend krijgt ze een paniekaanval. Totale beklemming van het idee dat de mannen misschien in het vooronder zitten, terwijl de duikers vanwege het weer niet kunnen duiken. ,,Dat vloog me heel erg aan. Ik moest overgeven, zo beroerd werd ik ervan. Rond het middaguur werd ik ineens heel rustig. Ik heb echt gevoeld dat hier op Urk duizenden handen voor ons zijn gevouwen. En dat voel ik nog steeds.”


Regenboog als teken van trouw

Ondertussen zoeken vissers op de plek des onheils. Later hoort ze van hen dat de regenboog aan de hemel stond, precies op de plek waar de kotter gezonken is. En steeds stond de regenboog er weer op belangrijke momenten. ,,God stuurt de regenboog als teken van trouw. Dat geeft echte rust. Dat de Heere erbij was en van ons af weet. Heel Urk stond en staat biddend om ons heen.”

In die week krijgt ze 1500 brieven en kaarten. Er wordt van alles gebracht: cake, koffie, koffiemelk, pannen soep, balletjes gehakt, salades, zalmen; haar koelkast kan niet meer dicht. Zelf krijgt ze geen hap door haar keel. De viswinkel belt met de vraag hoeveel mensen er zijn en dat zij de maaltijd verzorgen. Bezoek komt en gaat.

Er is nog een heel klein beetje hoop dat de mannen leven. Het is de hele tijd slecht weer. Nu, achtenhalve maand later, denkt Maria: hoe heb ik zo rustig kunnen blijven, hoe heb ik het gekund allemaal?

Marineduikers

Op zondagochtend luistert ze met haar moeder via internet naar de kerkdienst. Terwijl in alle kerken op Urk en ver daarbuiten wordt gebeden of de beide mannen gevonden mogen worden, gaan de marineduikers naar beneden. Maria is heel rustig. Aan de dominee vraagt ze om psalm 68 vers 10 te zingen. Over dat de Here belooft uitkomst te geven bij het naderen van de dood. De kerk is uit, haar huis stroomt weer vol met visite. En ineens staat de familierechercheur tegenover Maria en zegt: ‘Ik heb goed nieuws. Uw man is gevonden. En Hendrik Jan ook’.

Maria neemt een diepe hap lucht en zucht: ,,Iedereen ging staan, we vlogen elkaar om de nek. Ik besefte helemaal niet dat hij toen dood was. Ik was zo blij dat ik hem nog kon zien, ik wilde zo graag zijn gezicht zien.”

Om haar man te identificeren moeten ze meteen mee naar Alkmaar. Maar het was bijna etenstijd, er was een ovenschotel witlof, ze zal het nooit vergeten. De familierechercheur bleef ook eten. ,,Het klinkt raar, maar ik was in een soort jubelstemming.” De aanblik van alle verdrietige mensen begon haar bijna te storen. Tot de woensdag voor de begrafenis heeft ze niet meer kunnen huilen.

Trouwring

In Alkmaar liggen Jochem en Hendrik Jan naast elkaar, allebei op een brancard. ,,Dat hadden ze heel mooi gedaan. Er was ons gezegd dat ze er mooi uitzagen en er heel vredig bijlagen, en dat was ook zo. Hij was zo mooi, niet blauw, gewoon hemzelf. Het was ongelooflijk. Zijn trouwring had hij om.” Ze is heel kalm. Ze voelt aan hem, pakt zijn hand. ‘Och och, ben je daar?’ fluistert ze.

Ze is als verdoofd. Het echte verdriet komt later. Met haar verstand weet ze dat hij er niet meer is, maar haar hart weet nog van niks. ,,Ik had hem. Wat ik de hele tijd hoopte en had gewild, had ik toen. Die hele week heb ik alle gevoelens die een mens kan voelen wel gevoeld.”

loading  

‘Nooit meer’

Die zondagavond komen tegen half 12 de mannen aan op Urk. Met de twee zussen van Jochem en haar moeder kleedt ze hem aan. Ze is een nuchter persoon. Ze heeft hem geschoren, gel in z’n haar gedaan. Om hem nog één keer te verzorgen en hem er zo mooi mogelijk te laten uitzien. Ze wil hem per se thuis hebben. ,,Ik kon het niet verwerken dat hij nooit meer zou thuiskomen.” Haar jongste dochter speelt rond de kist. Op de donderdag dat hij voor het laatst de straat uitrijdt voor de begrafenis, komen de tranen dan toch weer. ,,Dat begrip ‘nooit meer’ besef je dan niet. Het was verschrikkelijk.”

In de barstensvolle kerk tijdens de dienst voor de begrafenis wrijft haar zoontje over haar rug. Ze heeft een zwart jurkje met een mooi wit kraagje aan. ,,Ik kon daar met rechte schouders staan, de kinderen ook, we waren zo sterk.”

Buiten stormt het, regen slaat keihard neer. Bij het graf ziet ze, als de kist naar beneden gaat, hoe vreselijk diep het graf eigenlijk is. Ze staan als laatsten aan het graf. ,,Die kleine heeft zo erbarmelijk gehuild. Hartverscheurend, ze wilde niet weg bij haar vader.” Het gaat door merg en been. ’s Middags moeten ze dan nog naar de begrafenis van Hendrik Jan, die naast Jochem begraven wordt. Hun graven zijn met meertouw van de Lummetje aan elkaar verbonden.

De plek

Als ze de Lummetje op gaat, gaat ze meteen naar de brug. Daar wilde ze zijn, op de plek waar Jochem gestorven en gevonden is. Ze loopt er niet voor weg, wil alles zien. Alles verdwijnt op dat moment, het beneemt haar de adem, er is zoveel verdriet. ,,Dit is de plek. Dichterbij kon ik niet komen, zijn laatste moment stond hij daar. Verschrikkelijk. Ik voelde dat ik heel dicht bij hem was.”

Ze ziet dat de hendels naar voren staan. Met de hendels gooit een visser al zijn netten los. ,,Dat was heel erg om te zien. Het is hun laatste actie op aarde geweest. Het is ook het laatste wat een visserman doet, want dan ben je alles kwijt. Door het losgooien van de netten draait een dik ijzerdraad op de lier, maar die zat helemaal in de knoop. De netten zijn niet losgegaan.”

Beide mannen hadden hun oliepak aan, vermoedelijk waren ze net op het dek geweest. Hendrik Jan is gevonden in de kombuis. Dat ze samen waren, geeft troost. Naar het vooronder durft ze niet. Wel kijkt ze in de kastjes. Daar staan nog de pakken vla, de pakjes croma, de knakworstjes. Na die dag was ze zo vreselijk moe, lichamelijk en geestelijk totaal uitgeput. ,,Ik kan wat hebben. Wie mij kent, heeft mij nog nooit horen zeggen dat ik moe ben.”


Een schattig mens

De kleding die Jochem aanhad, heeft ze nog steeds niet kunnen bekijken. Die ligt bij haar schoonzus in de kast. Vissers hebben specifieke kleding aan: een blauw-wit gestreept kotterhemdje, met een lichtblauwe Deense werkbroek. ,,Als mijn man moest lachen, krabde hij altijd net onder zijn sleutelbeen en wreef over zijn buik. Wanneer ik zijn kleding waste en uithing, zag ik daar altijd twee van die kale plekken. Wat is het toch een schattig mens, dacht ik dan. Ik kan dat hemd nu niet zien. Dat hoort bij dat traumatische moment. Misschien kom ik er ooit aan toe.”

Iedere vrije seconde is ze ermee bezig, ze zit nog helemaal in het ongeluk. Met de wind en de regen komt haar dochter ook vaak overstuur thuis. Vrijdags ziet ze de kotterbusjes terugkomen. Maar haar man komt niet meer thuis. Het gaat met ups en downs. De kinderen missen de warmte en liefde van hun vader. Soms is het een hele dag huilen en dan weer een goeie dag.

Corona

In april raakt ze via haar werk in de zorg besmet met het coronavirus, ook de ouders van Jochem worden doodziek. Haar oudste dochter is even heel angstig. Ineens beseft ze de kwetsbaarheid van hun gezin. ,,Het leven is een rollercoaster geweest. De kerst, die nare januarimaand, de grafstenen die zijn gekomen, het schip dat gelicht werd. Er is nog geen normaal moment geweest.”

Maria heeft ook intens meegeleefd met de ouders van het Duitse meisje dat vermist raakte op zee, naar wie ook Urker vissers gezocht hebben. ,,Ik hoorde later dat de namen van onze mannen daar vaak gevallen zijn. De vissers zeiden: wij stoppen niet met zoeken, want Jochem en Hendrik Jan hebben we ook gevonden.”

Ze slaapt slecht, maar dat vindt ze niet erg, want dan is ze alleen met haar gedachten. Ze denkt aan het ongeluk, het moment dat hij stierf, dat vindt ze het allerergste van alles. ,,Dat we nooit meer met elkaar kunnen praten. Ik heb in mijn hoofd een film die steeds dat moment afspeelt en die krijg ik er niet uit. Heeft hij aan ons gedacht? Of was de paniek te erg? Daar kom ik nooit meer overheen. Het is een gruwelijke dood geweest. Binnen een paar seconden lagen ze om. Het licht gaat uit, het water stroomt binnen. Je komt er niet meer uit. Door het koude water raak je in shock. Maar aan het eind van al die hersenspinsels denk ik dan: ze waren niet alleen. Onze God stak zijn hand naar hen uit en riep hen thuis.”

Het geloof sleept haar erdoor heen. ,,Ik mag geloven dat mijn man het nu beter heeft. En dat we elkaar ooit weer zullen ontmoeten. Dat maakt dat ik door kan leven.”

Zoon wil visser worden

Haar zoon wil van kleins af aan visser worden, ging al met zijn vader mee toen hij 6 was. ,,Ik vertrouwde het, want ik gaf hem aan zijn vader mee. En hem vertrouwde ik voor duizend procent.” Na het ongeluk heeft Maria het hem verboden. ,,In mijn paniek zei ik: jij wordt geen visserman. Maar het is zijn lust en zijn leven, hij zou het bedrijf overnemen. Zijn toekomst is in duigen gevallen. En hem is al zoveel afgenomen. Ik dacht: ik vertrouw het nu niet, ik vertrouw het volgend jaar niet, ik vertrouw het nooit weer. ‘Moeder, als het mijn tijd is, is het mijn tijd, dat mag jij geloven.’ Hij is 12 jaar, en dat zegt hij.” Afgelopen week is hij gegaan.

In haar kinderen ziet ze haar man terug. Ze heeft goede vrienden en familie. Elke dag krijgt ze een berichtje. Maar of ze ooit weer gelukkig wordt? ,,Dit verdriet hoort nu bij ons. Ergens koesteren we het ook, want daardoor blijft Jochem bij ons en zijn we verbonden. Maar ik kom hier doorheen. Hoe diep het dal ook is, iedere keer is het toch weer iets lichter in mijn hoofd.”

De Lummetje is gesloopt. Maria recht haar schouders. ,,Het is goed zo. Je moet het nuchter bekijken, uiteindelijk is het gewoon een stuk ijzer. Het dierbaarste hebben we eraf gehaald. De twee mannen. Mijn Jochem.”

loading  

menu