In Donkerbroek bij Paul Straatsma (voorgrond) thuis.

Mijn Streek: De boer en de blinde vlek van de burger

In Donkerbroek bij Paul Straatsma (voorgrond) thuis. FOTO MARCEL VAN KAMMEN

De kloof tussen boer en burger. Melkveehouders Harrie en Sieger Neimeijer, vader en zoon, helpen maar wat graag die te dichten. Een reportage vanaf het boerenland dat grenst aan het huis van Mijn Streek-verslaggever Paul Straatsma.

,,Bij alles wat we op het land doen, denken we heel goed na. Werkelijk bij al-les. En als er iets is wat ik niet tegen kan, dan is het dat er gedacht wordt: ‘ach die boer, die doet maar wat’.”

Harrie Neimeijer (1959) zit met zijn zoon Sieger (1995) aan de koffie in mijn tuin, een zonnige middag, een uur of half twee. De sfeer is gemoedelijk, na wat nieuws uit de buurt is het tijd voor serieuze zaken. De mannen runnen gezamenlijk een melkveehouderij. Als ik ze tegenover me zie zitten, besef ik het uitzonderlijke van de situatie: als journalist ontving ik degenen over wie ik wil schrijven nog nooit eerder aan huis.

Doodlopend pad midden in de weilanden

Het huis waarin ik en mijn vriendin wonen staat aan een doodlopend pad midden in de weilanden. De grond rondom ons perceel is van de Neimeijers. Toen we er kwamen wonen, leerden we ‘boer Harrie’ al snel kennen: een joviaal iemand, het hart op de tong, voorzitter van de buurtvereniging, iemand met wie je prima een biertje kunt drinken, en ook wel twee. Zijn vrouw José is psychiatrisch verpleegkundige, hun beide dochters volgden een universitaire studie en zijn het huis al uit, zoon Sieger deed de hogere landbouwschool.

Harrie en José verhuisden onlangs naar een burgerwoning op steenworp afstand van de boerderij, Sieger bleef op het bedrijf, zijn vriendin Dorien trok bij hem in. De maatschap heeft zo’n 165 koeien en 95 hectare land en valt in de categorie ‘gangbaar’, voor zover landbouwbedrijven zich in categorieën laten indelen. Sallandhiem heet het bedrijf in Donkerbroek, een verwijzing naar de streek in Overijssel waar José en Harrie opgroeiden.

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Harrie en Sieger nemen mij dadelijk mee voor een tocht over hun terrein. Ik wil van hen weten wat ik daar niet zie. Vanuit mijn huis zie ik beide mannen geregeld samen lopen, de honden mee, de jonge appenzeller speels voor hen uit en achter hen de oude herder die steeds meer moeite heeft met het tempo.

Om de haverklap staan vader en zoon stil, gaan ze door de knieën, de een wat stram, de ander soepel, om de grond en het gewas te beoordelen. Staan ze weer rechtop dan volgt steevast overleg, wijzen armen over de vlakte, schudt of knikt een hoofd. Vervolgens lopen ze verder, herhaalt het tafereel zich één of meerdere keren. Dan zijn ze weer weg, net zo onverwacht als ze verschenen. Vaak wordt een paar dagen later gemaaid, of komt een loonbedrijf om mest uit te rijden of een gewas te zaaien.

Ik heb gevraagd of ik een keer met hen mee mag. Om van hen te horen waar de gemiddelde burger – gemakshalve schaar ik me in die categorie – geen weet van heeft. Want de verzuchting waarmee José eens sprak toen zij op een zomeravond met een collecte aan de deur kwam, is me bijgebleven: ,,Mensen weten niet half hoe wij als boeren rekening houden met het milieu, dat zien zij niet.”

Zorgen als natuurliefhebber

Er wordt vaak geschreven over de kloof tussen boer en burger. De afgelopen weken voelde ik die aan den lijve. Door de maatregelen rond het coronavirus schreef ik in de twee voorgaande afleveringen van Mijn Streek over de omgeving rond mijn huis. Ik had het eerst over de kieviten die buitelen boven het land. Ik gaf ze weinig kans een legsel groot te brengen. De kieviten gebruikte ik om over het moderne boerenland te schrijven. Ik zie daarin weinig vogels, maak me als natuurliefhebber zorgen over het verlies aan biodiversiteit.

Wat ik niet vermeldde, was dat de vogelwacht jaarlijks in de gaten houdt of er weidevogels broeden op het land van de Neimeijers. Die namen me dan ook kwalijk dat de indruk kon ontstaan dat zij roekeloos met vogels omgingen. In mijn vorige stuk kon ik dat rechtzetten, toen de vogelwacht me uitnodigde mee te gaan; prompt vond ik een kievitsnest. Ik realiseerde me dat de boer zelf aan het woord moest komen. Na enig aandringen beloofden Harrie en José het te bespreken met Sieger. Die stemde meteen toe: ,,Ik zie dit als een kans om te vertellen hoe we boeren.” De zekerheid waarmee de jonge boer dat zegt, doet goed.

We gaan de tuin uit, een sprong over de sloot, de rollen zijn omgedraaid, nu ben ik bij de Neimeijers te gast. ,,Heb je dat interview gelezen met Louise Fresco, baas van de universiteit in Wageningen?”, vraagt Harrie als hij de rug recht, ,,kan ik me helemaal in vinden.”

Ik heb het gelezen. Het stuk stond in deze bijlage, twee weken terug. Fresco wijt de tegenstelling tussen mensen die zich zorgen maken over natuur en milieu en mensen die meer ruimte willen geven voor boeren, aan een gebrek aan kennis, wat volgens haar onzekerheid tot gevolg heeft.

‘Vroeger’, zegt de hoogleraar in het stuk, ‘had iedereen wel een familielid die boer was, mensen weten nu niet meer hoe het voedsel wordt geproduceerd.’ Ik kan me daarin vinden, al heb ik wel een paar neven die varkensbedrijven hebben en stond mijn eigen wieg op een destijds moderne melkveehouderij; de landbouw staat heel ver van me af.

Dat vind ik enorm spijtig. Ik worstel met die landbouw. Naast dat die mij voorziet van voedsel, bepaalt die ook de omgeving waarin ik leef, die ik heel belangrijk vind. Juist in deze tijd waarin zoveel te doen is over de toekomst van de agrarische sector wil ik daarover kunnen meepraten. Maar ik kom erachter dat ik dat niet kan. Terwijl ik wel mijn mening heb klaarliggen.

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Bij broers te rade

Hoewel ik als nakomertje weinig van het boerenbestaan heb meegekregen, heb ik wel twee oudere broers bij wie ik te rade kan gaan. De ene is bioloog, studeerde in Wageningen, de andere is van origine planoloog, werkte bij LTO en nu bij FrieslandCampina, waar hij projecten op het gebied van duurzaamheid begeleidt.

De ‘bioloog’ behoedde me in mijn eerste stuk over de kieviten – ik liet het hem vooraf lezen, voelde kennelijk nattigheid – meteen voor een grote fout toen ik wilde schrijven dat het boerenland dood is. ,,Nou, ik weet niet wat je wilt, maar als je boeren boos wilt maken, moet je vooral dat schrijven. Klopt ook helemaal niet wat je zegt. Het boerenland is niet dood, integendeel. Hoe kan het anders zoveel opleveren? Wat je wel kunt schrijven is dat het ‘super eenzijdig’ is. Om het maximale eruit te halen worden de omstandigheden voor het gewas zo ideaal mogelijk gemaakt, daar moet alles wat die groei verstoort voor wijken. En ja, daardoor komt biodiversiteit onder druk te staan. Een term die je ook goed kunt gebruiken is ‘precisielandbouw’.’’

Mijn andere broer moet een beetje grinniken als hij hoort dat zijn jonge broertje zichzelf met die kieviten in de nesten heeft gewerkt. Om me vervolgens aan te moedigen dit stuk te schrijven. ,,Er is een schreeuwende behoefte aan betere communicatie tussen boeren en burgers. En”, wijst hij me op iets anders, ,,vergis je niet. Dat een boer zo in de krant wil staan, is heel bijzonder. Onder boeren heerst een grote sociale controle. Wie zijn kop boven het maaiveld uitsteekt, riskeert dat die eraf gaat.” Zijn tip: ,,Vraag die boer vooral wat hij vindt dat jouw blinde vlek is.”

Twee soorten raaigras

Blinde vlekken genoeg. Een paar stappen in het land en Sieger zit op zijn hurken. Vorig jaar stond op het perceel nog mais, ons huis werd erdoor ingesloten. Nu staat er jong, fris groen gras. ,,Engels raaigras, twee soorten”, vertelt Sieger, de kolf van zijn hand gaat over het gras, alsof hij het streelt. ,,Eén voor de eiwitten, de ander om een dichte zode te krijgen. Als die maar dicht blijft, krijgt onkruid geen kans. Hoeven we ook niet te spuiten.”

Hij vervolgt: ,,We streven naar blijvend grasland, is goed voor de bodem, houdt stikstof en CO2 vast. Gaan we het land scheuren, ploegen, dan komt dat vrij. De overheid wil meer blijvend grasland. Maar gras is pas officieel ‘blijvend grasland’ na vijf jaar. ” Vader Harrie, staand, schetst kort een dilemma: ,,Maar we streven ook naar meer rotatieteelt, want dan hebben we minder gewasbeschermingsmiddelen nodig.” Sieger: ,,Door de droge zomers was een deel van ons blijvend grasland zo beschadigd dat we het wel moesten scheuren.”

Tja, die gewasbeschermingsmiddelen. Zelf noem ik het gif. Het is niet mijn land, dus ik wil er niets van zeggen, maar die keer dat we door de wind de volle laag kregen, en we ‘s avonds laat de smaak nog op onze lippen hadden, heb ik toch geappt. Dat Harrie daar in ieder geval van wist. Toeval of niet, net die avond was ook een aflevering van Zembla , over spuiten op bollenvelden. ‘Geen stijl dat die boer de pers niet te woord stond’, appte Harrie. Hij zou een volgende keer meer rekening houden met de windrichting.

(Tekst leest door onder de foto)

loading

We lopen door het land, zoals ik vader en zoon vaker vanuit de verte zie doen. ,,Een beste boer”, zei een collega van de Neimeijers eens over hen tegen me, vol bewondering. Inmiddels stopte man zelf met zijn bedrijf. Ik denk dat ik begrijp waarom hij dat deed als ik vader en zoon een paar meter voor me uit zie lopen door het gras.

De droge stof, de percentages eiwit in het een en het andere, wat wanneer en in welke hoeveelheid mag worden uitgereden, structuurgras voor bodemherstel, groenbemesters, onderzaai, vanggewas dat stikstof opvangt, grondmonsters, de pH-waardes; ik raak het spoor bijster, wat me een bemoedigend klopje op de schouder oplevert van Harrie. ,,We moeten er maar mee ophouden Sieger, Paul die trekt het niet meer.”

Hij grijnst. Bracht ik het er nog redelijk van af, vraag ik me af. Een boerderij is een bedrijf. Tuurlijk weet ik dat, maar er is een verschil tussen weten en ergens van doordrongen raken.

Saladebuffet

,,Heb je die hoge bult afgelopen winter op het land zien liggen? Dat was maaisel van Staatsbosbeheer. Hebben we als natuurlijke bodemverbeteraar over het land uitgestrooid. Veel boeren zullen zeggen ‘wat moet je met die rommel, brengt allemaal onkruid op je land’. Maar wij zien dat anders. Organische stof, werkt als een spons, houdt water vast, hebben we belang bij met het oog op de klimaatverandering. We proberen zo circulair mogelijk te zijn, maken daarin stappen.”

Sieger volgde onlangs nog een driedaagse cursus bodembeheer, wil wel vaker iets proberen, als het maar niet leidt tot krapte in het voer. Een saladebuffet, een mengsel door het gras. Maar liefst 11 hectare zaaiden ze ermee in. ,,Maar het bracht te weinig op en het paste niet bij de energiebehoefte van onze koeien”, aldus Sieger.

Zijn vader: ,,Al hadden we die droge zomers natuurlijk ook niet mee.” Over de koeien gesproken: ,,Vermeld je wel in je stuk dat we aan weidegang doen?” Ze zijn trots op de dieren, laten ze daarom ook graag zien. ,,De koeien kunnen dag en nacht volledig vrij rond stappen en krijgen iedere dag een nieuw perceel. Ze worden gemolken door de melkrobots 24/7, volledige selfservice!”

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Landschapselementen

Wordt dit stuk een reclamepraatje voor de moderne landbouw? Sluikreclame à la Yvon Jaspers in Boer zoekt Vrouw ? Ik voel dat ik kantel. Waar ben ik met mijn kritiek op de grote groene glad getrokken plaat? Ik moet bij mezelf blijven.

Maar als ik begin over de sloten die de Neimeijers een paar jaar geleden verwijderden, over kleine landschapselementen die vertellen over de geschiedenis van het land en die van belang zijn voor biodiversiteit – in een slootwal kan bijvoorbeeld een haas dekking zoeken, kunnen vogels broeden – weet ik dat ik kansloos ben. Al dat wenden en keren op de trekker – ,,Zo twee uur extra werk voor de loonwerker, twee keer 150 euro, tel maar uit”– Sieger moet er niet aan denken. En al helemaal niet als hij zelf op de trekker zit. En ik? Ik begrijp dat.

Dat interview met Louise Fresco. De hoogleraar neemt het op voor de intensieve landbouw, betoogt dat het woord intensief ten onrechte een verkeerde betekenis heeft gekregen. Intensief is volgens haar juist positief. ‘Intensief betekent met zo min mogelijk middelen zo veel mogelijk opbrengst uit een eenheid grondoppervlak halen.

Als je er meer uithaalt, heb je ook minder grond nodig. Grond die je dan vrij kunt laten voor natuur.’ Oké, maar hoeveel natuur krijgt Nederland er dan bij? En moeten die stukken natuur en landbouw dan zoveel mogelijk gescheiden blijven, of om en om gaan? ,,Optimaal is in onze ogen anders dan eenzijdig en gebrek aan diversiteit”, zegt Harrie.

1,7 miljoen zaadjes

Op naar het perceel, waar ruim een week geleden mais werd gezaaid en waarin het kievitsnest ligt dat ik een week eerder vond. De vogels broeden er nog steeds, ze hebben ons al zien aankomen, zijn al in de vleugels. Sieger vertelt over een nieuwe manier van bemesten, dankzij gps zo nauwkeurig dat elke plek waar een maiskorreltje onder de grond zit bemest kan worden.

Ik moet denken aan wat mijn broer vertelde over precisielandbouw. Zo’n 1,7 miljoen zaadjes zijn hier de grond ingegaan, vertelt Sieger. Hij zakt door de knieën, een vinger gaat door de rulle grond, komt naar boven met een maiskorrel. Hij houdt hem in de lucht voor zijn vader: ,,Zie je, al gekiemd.” Dan legt hij het zaadje terug en dekt het weer af met aarde.

 

***

 

Wolf op het land

Het is avond. We hebben laat gegeten, uur of half negen, een snelle maaltijd. Ik sta op van tafel, heb avonddienst voor de krant, overwegend nieuws over corona, werk vanuit huis.

Ik werp een snelle blik naar buiten, ingesleten gewoonte inmiddels. De afgelopen weken schreef ik in deze rubriek over de kieviten op het land waar we vanuit huis zicht op hebben. Met vogelwacht Auke Drenth ging ik op zoek naar een nestje tussen de maisstoppels, beleefde ik een euforisch moment toen ik dat ontdekte, vier prachtige eitjes.

De dunne bamboestokjes die Drenth aan weerszijden van het nest heeft gezet, kunnen we met de verrekijker vanuit huis zien en houden we trouw in de gaten. Als de zon een beetje goed staat, vooral ‘s avonds als het licht over de boomwal scheert, zien we precies hoe de kievit behaaglijk zijn witte donzen achterwerk opsteekt en over de eitjes legt. Dappere, onverschrokken kieviten.

Dan weer stijgt ‘de luchtmacht’ op om een reiger te onderscheppen, dan weer wordt een kraai verjaagd. En elke keer houden we ons hart vast. ,,Help ze”, zei mijn vriendin, ,,koop een buks.”

De loonwerker is inmiddels geweest, het land werd geploegd, de mais ingezaaid. Dat gebeurde allemaal op één dag. Het nest werd door de loonwerker, met grond en al, verplaatst. De hele dag waren meeuwen op het land, ze paradeerden als harteloze witte dictators over de verse donkere voren.

De kieviten zagen we op en af vliegen. Ik gaf hun legsel eerlijk gezegd geen enkele kans, had een rotdag. Toen ik ‘s avonds ging kijken was ik dan ook stomverbaasd dat de eieren nog in het nest lagen. Vanaf het land belde ik meteen boer Harrie Neimeijer. ,,Ik had niet anders verwacht”, zei hij.

Ruim twee weken later liggen de eieren er nog steeds. Hoe ze het doen, ik begrijp er niks van, op die vlakte waar alles en iedereen ze kan zien. Het nestje steekt er zelfs iets bovenuit. Inmiddels heeft het stelletje vrienden op bezoek gekregen. Met Drenth en zijn collega Leen van der Wel mocht ik weer mee, we ontdekten het tweede nestje, twee eieren. Een 30 meter bij het andere nestje vandaan.

Roerloos, midden in het weiland

Een oude indiaan, is het eerste wat ik denk. Geen idee waarom, waarschijnlijk omdat-ie roerloos stilstaat midden in het weiland, misschien zag ik eens in een western een indiaan zo staan, midden in de prairie, gehuld in een vacht van een wild dier, de omgeving verkennend. Loert hij naar de kieviten?

,,Dat is een wolf”, zeg ik.

,,Nee joh, gek”, zegt mijn vriendin, maar ik hoor dat ze me gelooft.

Vanwege de kieviten ligt de verrekijker op tafel voor het grijpen, ik heb hem het eerst. Als het nu toch maar geen hond is, denk ik als ik de kijker aan m’n ogen zet. Boer Harrie heeft een Duitse herder, maar het is Juno niet, ik weet het zeker als ik hem in m’n vizier heb. Dit is van een andere orde, wat een beest...

Heeft het zin m’n mobieltje te pakken voor een foto? Wordt een vlek. Zo’n 300 meter, waar ligt dat ding überhaupt, kost te veel tijd. Mijn vriendin heeft inmiddels de kijker. Kan me altijd vertellen dat het waar was.

Hoe lang die stilstaat, geen idee, hooguit een paar seconden. Hij komt in beweging, over het gras, richting de akker die een paar dagen eerder is ingezaaid met mais. De kieviten zijn in paniek, vliegen hem om de oren. Het zal toch niet … , denk ik. Zou wat zijn... Maar de wolf heeft geen aandacht voor de vogels. In een rechte lijn, een lichtvoetig economisch drafje, gaat hij naar het bos aan de overkant.

De volgende dag vind ik zijn spoor, precies tussen de beide nestjes door.

,,Dat beest is dus vorige maand hier ook al geweest”, appt een buurvrouw. ,,Heeft bij een boer verderop vijf schapen doodgebeten. Vreselijk.” Ze stuurt me het berichtje in de krant als bewijs.

In 2003 en 2004 bezocht ik wolvenbeschermingsprojecten in Spanje en Portugal. In dat laatste land leerde ik een biologe kennen die een project begeleidde dat herders voorzag van kuddebewakende honden, zodat herders niet in de verleiding komen op wolven te jagen of de dieren te vergiftigen. Tweemaal mocht ik een week met haar mee langs die boeren. Met de biologe heb ik nog altijd contact. Vorig jaar berichtte ik haar dat de eerste wolven in Nederland waren geboren. Nu dat ik de eerste met eigen ogen heb gezien.

Mijn vriendin heeft op YouTube Dodenrit van Drs. P. opgezocht. Trojka hier, trojka daar, Ja je ziet ze veel dit jaar, Trojka hier, trojka daar, Overal zit paardenhaar.

‘s Avonds kijken we telkens uit of we Borretje weer zien. Zal wel nooit weer gebeuren. Allways on the run. We hopen dat het hem goed gaat.

menu