Dit betekenen de meest voorkomende E-nummers (welke zijn ongevaarlijk en welke kun je beter vermijden?)

Foto: HOLLANDSE HOOGTE / SCIENCE PHOTO LIBRARY

Anno 2020 bepalen welke voeding goed voor je is lijkt een hele opgave te zijn geworden. Natuurlijk weten we dat we veel groenten moeten eten en suikers het beste kunnen mijden, maar er worden vaak verschillende (soms tegenstrijdige) dingen gezegd over voedingsproducten. Wekelijks zetten we de voors en tegens op een rijtje, zodat jij door de bomen het (voedsel)bos weer kunt zien. Deze week: E-nummers.

Er staan behoorlijk wat termen op het etiket van je dagelijkse producten en je moet maar net weten welke goed zijn en welke minder goed. E-nummers zijn zowel natuurlijke als synthetische middelen die worden toegevoegd aan ons eten. Ondanks dat we ze niet allemaal nodig hebben, zijn de meeste ongevaarlijk. Dit komt omdat het de meest onderzochte stoffen zijn in onze voeding en daardoor ook de meest veilige. Ze worden niet voor niets goedgekeurd door de Europese Unie en voorzien van de stempel E-nummer. Let wel: er wordt nog altijd onderzoek naar gedaan, dus voorzichtigheid is geboden.

ONGEVAARLIJK:

Ascorbinezuur (E300)

Een antioxidant, beter bekend al vitamine C en daarmee een natuurlijk E-nummer waar weinig mis mee is. Je vindt het vooral terug in groenten en fruit en dan met name in koolsoorten en citrusvruchten. Vitamine C is de bekendste vitamine en hebben we nodig bij de vorming van bindweefsel, de opname van ijzer en voor een goede weerstand.

Xanthaangom (E451)

Een veelvoudige hulpstof en zeer bekend verdikkingsmiddel. In het begin werd er hard geroepen dat dik zou maken, maar andere onderzoeken weerspreken dat. Dit kunstmatige middel, dat gemaakt wordt door een bacterie toe te voegen aan suiker, wordt gebruikt om een hogere viscositeit in vooral lightproducten te krijgen. De gom zorgt voor het romige mondgevoel dat anders uit vet had moeten komen.

Citroenzuur (E330)

Een E-nummer met een biologische, levende oorsprong; citroenzuur is in elke lichaamscel te vinden en is van essentieel belang bij de stofwisseling. Zonder zou ons lichaam niet goed kunnen functioneren. Deze lichaamseigen stof wordt ook verwerkt in voeding. Dit meest gebruikte organische zuur is een natuurlijk conserveringsmiddel en antioxidant met als hoofddoel producten van een zure smaak te voorzien.

Betanine (E162)

Ook wel bietenrood genoemd. Betanine is een kleurstof die net als veel andere kleurstoffen gewonnen wordt uit een natuurlijke bron. Kleurstoffen worden gebruikt om producten langer van de oorspronkelijke kleur te voorzien. Daarvoor kunnen dus natuurlijke kleurstoffen worden gebruikt waar simpelweg niks mis mee is. Omdat mensen overgevoelig kunnen reageren op synthetische kleurstoffen gaat de voorkeur wel uit naar de natuurlijke varianten.

OPLETTEN GEBLAZEN

Aspartaam (E951)

Toch wel de meest bekende synthetische zoetstof en een die in veel producten verwerkt wordt. Dat heeft twee duidelijke redenen: aspartaam is 200 keer zoeter dan suiker dus er is een stuk minder van nodig. Én het stofje bevat weinig calorieën. Verder reageert ons lichaam hetzelfde op aspartaam als op suiker, namelijk met de aanmaak van insuline, alleen kleeft er één duidelijk minpunt aan vast. Tijdens het eten van aspartaam krijgen je hersenen een signaal dat er iets zoets binnenkomt, alleen ontbreekt de bekende hoeveelheid calorieën. Als gevolg gaat je lijf om nog meer zoet vragen wat kan leiden tot een verhoogde eetlust, zoetverslaving en eetbuiten. Weinig calorieën leiden uiteindelijk dan toch tot meer calorieën...

De stof is al jaren omstreden, nadat het Italiaanse Ramazzini Instituut in 2006 en 2007 twee studies publiceerde waaruit zou blijken dat aspartaam leidt tot kanker bij proefdieren. Andere studies weerleggen deze resultaten echter weer.

Mononatriumglutamaat (E621)

Dit is het meest voorkomende niet-essentiële aminozuur dat wordt toegevoegd aan producten als smaakversterker. Het staat bekend als de ‘vijfde smaak’, omdat men naast zout, zuur, zoet en bitter ook glutamaat kan proeven: een hartige smaaksensatie die ook wel ‘umami’ wordt genoemd.

Er doen veel verhalen de ronde dat dit middel hoofdpijn, duizeligheid end darmklachten veroorzaakt. Echter ontkracht de wetenschap dit, aangezien het menselijk lichaam zelf glutamaat aanmaakt dus het haast niet mogelijk is dat het zulke heftige lichamelijke bijwerkingen kent.

Conserveringsmiddelen (E200-299)

Dit is gelijk een hele groep waarbinnen vrijwel alle E-nummers synthetisch van aard zijn. Mede daarom worden conserveringsmiddelen vaak in een negatief daglicht geplaatst met als voornaamste reden dat ze niet nodig zouden zijn in ons eten.

Feitelijk gezien klopt dat ook, alleen zorgen deze middelen ervoor dat ons eten langer houdbaar is en in sommige gevallen zelfs veiliger blijft om te eten, omdat sommige E-nummers bederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan. Langer houdbaar is veiliger en voorkomst uiteindelijk ook voedselverspilling. Conserveringsmiddelen dienen dus zeker een goed doel, maar te veel is nooit goed natuurlijk.

Sulfieten (E220-228)

Een soort conserveringsmiddel dat even apart moet worden uitgelicht, omdat je er veel over leest. Sulfiet is een verzamelnaam voor verschillende soorten zwavelverbindingen. Je komt het vooral in wijn tegen, maar ook in vlees en fruit om deze producten een goede kleur te laten behouden. Met sulfieten zelf is niet zoveel mis, de ‘slechte’ verhalen gaan vaak over mensen met een overgevoeligheid voor het stofje, dat een allergeen is. Heb je geen intolerantie, dan is er niet zo gek veel mis mee.

Het moge duidelijk zijn: het laatste woord is nog niet gezegd in de wereld van E-nummers. Nog altijd lopen er onderzoeken en nog altijd worden er ook weer dingen weerlegd.

Dus blijft het advies: eet zoveel mogelijk vers en onbewerkt.

menu