Janna Zuiderveld in 1979 als 14-jarige meisje op plein in Polen.

Droomvakantie: Janna Zuiderveld reisde op haar veertiende door Polen (en ontdekte daar dat ze rijk was)

Janna Zuiderveld in 1979 als 14-jarige meisje op plein in Polen.

Een ervaring rijker door het zien van armoede. Polen, 1979. Het IJzeren Gordijn staat er nog, de regen valt met bakken. Klinkt niet als een droomvakantie. Of was het dat wel? Journalist Janna Zuiderveld blikt terug op een reis die ze op haar veertiende maakte.

Zwijgend reden we verder. Eindelijk waren we er dan. Het glooiende landschap werd groener, het wegdek slechter. Mijn vader zat met ingehouden opwinding achter het stuur. Hier had hij naartoe geleefd. Nu begon het avontuur waar hij van had gedroomd, naar had verlangd. Op ontdekkingsreis door het weinig toegankelijke Polen. Waar komen we terecht?

Nieuwsgierigheid vulde de auto. Zelfs mijn moeder ontspande enigszins, een beetje bekomen van de strenge grenscontroles, de mannen met hun kalasjnikovs en intimiderende voorkomen. Lang ontspannen kon ze niet. Opeens schoten we rechtop, mijn vader minderde vaart: er lag een zwaar gewonde eland in de berm. Kennelijk zojuist geschept, een gehavende terreinwagen stond vlakbij.

Nerveus lachen bij de douane

Wachtend in de file voor de Poolse grens hadden we moeten lachen, zij het ietwat nerveus, om het kolderieke heen-en-weer spel met onze paspoorten via een transportsysteem dat nog het meest leek op een set gammele vangrails met een lopende band ertussen.

In een vervallen hok aan de kop van de rij auto’s, bogen stoere grenswachten zich heel gewichtig over de visa en identiteitsbewijzen. Met gespannen koppen alsof ze elk moment konden ontploffen, zetten ze stempels. Bam, bam, bam, ging het driftig op het meetrillende bureau. Lachen kon je maar beter laten. Je liep het risico de hele auto te moeten uitpakken.

Op reis ontdekken dat je rijk bent

Het was juli 1979. Polen lag nog achter het IJzeren Gordijn. Pas veel later besefte ik dat deze vakantiebestemming in die tijd een heel bijzondere keuze was. Ik was 14, had meegelopen in de demonstratie tegen de opslag van kernafval in Gasselte en droeg een button met ‘atoomenergie nee bedankt’. Op deze reis zag ik voor het eerst hoe armoe eruit kan zien. En kwam ik erachter hoe rijk wij eigenlijk waren.

Belevenissen van deze trip staan in mijn geheugen geëtst. Een droomvakantie? Nee, niet echt. Maar beelden ervan komen nog steeds in mijn dromen voorbij.

De aardappelsoep die we aten in een kaal, sfeerloos restaurant in Bydgoszcz, huizen en tuinen zwart van het roet aan de rand van het smerige, industriële Poznan. Je werd er niet vrolijk van, en toch had het iets. Makkelijk praten, wij konden weer terug naar het schone, welvarende Nederland.

loading

We schaamden ons diep

Nooit meer vergeet ik dat we in een kruidenierszaakje eieren kochten. Mensen gaapten ons aan terwijl wij niet een, niet twee, maar wel zes eieren in ons mandje deden. Zes! Een ei was niet zomaar iets, dat was voor een Pool een rib uit het lijf.

We schaamden ons diep.

Net als voor die speciale winkels voor ons, toeristen, waar je niet met zloty’s maar enkel met buitenlandse valuta kon betalen. Uit nieuwsgierigheid gingen we ernaartoe. Je kon er drank, sigaretten, chocola, koekjes en andere spullen uit het rijke westen kopen. Producten waar de Polen alleen maar van konden dromen.

Ach, we waren een heel gemiddeld burgergezin. Wij – mijn ouders en ik, mijn broer bleef thuis vanwege een vakantiebaantje – waren op pad met een rode Opel Ascona en een La Boheme vouwwagen. Met als eindbestemming de Mazurische meren en het oerbos Bialowieza in het noordoosten van Polen, waar mijn vader wisenten hoopte te zien.

De grens net gepasseerd, bleef het vooralsnog bij ooievaars, heel veel ooievaars. Ook best bijzonder. Die zag je in Nederland niet, toen.

Laveloos in een heg

Onze eerste camping lag in Lagow, zo’n vijftig kilometer landinwaarts. Bij de receptie stond een rijtje auto’s. Het wachten kon weer beginnen. Documenten, stempels, bonnetjes – mijn moeder kon zich werkelijk niet voorstellen dat de mensen zelf nog begrepen wat ze deden.

Als bleu tienermeisje keek ik mijn ogen uit. Die avond in Lagow, lopend op weg naar een restaurant, zagen we militairen laveloos in een heg liggen. Verderop stonden houten bouwsteigers, minstens zo vervallen als de huizen waar ze kreunend tegenaan leunden.

Eten in een filmdecor

Dineren in het restaurant was als eten in een filmdecor. Stel je een bovenzaal van een oud kasteeltje voor, verlicht door simpele kroonluchters. De gasten, meest Polen, zaten te eten aan witgedekte tafels bij elkaar gezet in een hoek. De rest van de vloer werd gebruikt om te dansen.

Het duurde niet lang of ik werd ten dans gevraagd door een militair. Mijn hoofd werd zo rood als de bietensoep die we aten. Ik wilde ter plekke in rook opgaan. Ik was een onhandige puber en stijldansen kon ik niet. Durfde ik niet. Zeker niet in zo’n zaal waar iedereen je verrichtingen kan volgen.

In de film Magnolia komen kikkers uit de lucht vallen. Toen ik die scène voor het eerst zag, was ik weer terug in het Polen van 1979. We reden bij donker, de regen kwam met bakken uit de hemel. Uit het niets lag het asfalt bezaaid met kikkers. Vanaf de achterbank gilde ik naar mijn vader dat hij ze moest ontwijken. Hij deed een dappere poging, maar het bleek een onmogelijke opgave; het waren er gewoon te veel.

De tocht door het oerbos

In het noordoostelijk gelegen merengebied, het uiteindelijke doel dat mijn vader voor ogen had, kwamen we terecht in Wegorzewo op een mooi gelegen camping met veel dennenbomen. Bij een meer. ,,Daarom regent het hier ook zo veel, hoe denk je anders dat die meren zijn ontstaan?’’, grapte mijn vader. De derde keer konden mijn moeder en ik er nauwelijks nog om lachen.

Erg lollig waren de omstandigheden daar toch al niet. Scheefgezakte houten hokken met halfhoge deuren die niet meer op slot konden – dat waren de wc’s. De stank was niet te harden, de grond glibberig van plas en poep. Die middag besloten mijn moeder en ik het voortaan in de vrije natuur te doen.

O ja, de tocht door het oerbos was trouwens legendarisch. We hebben geen beest gezien, geen wild zwijn, geen beer, nog geen eland, laat staan een wisent. Maar wel allemaal enthousiast zwaaiende mensen onderweg, kinderen vooral. Alsof we van koninklijke huize waren, wuifden we lachend terug. Het duurde even voor we beseften dat ze diep onder de indruk waren van de rode Opel Ascona.

menu