Dubbelgezouten zwarte snoep, in vele buitenlanden gruwen ze er van. Maar kom niet aan ons nationale dropje, die heilzame troostgever.

Alarm! De trekdrop verdwijnt. Tot afgrijzen van lieden als ‘kokoloog’ Pierre Wind, die het in zijn restaurant gebruikt voor zijn beroemde dropsoep, en van onze lokale Italiaanse ijsmaakster die er dropijs van maakte, heeft producent Haribo onlangs de productie gestaakt. Her en der is er nog wel van de oud-Hollandse lekkernij te krijgen, maar dat is restvoorraad. De trekdropmachines – die overigens in Duitsland staan – zijn stilgevallen.

Weinig heil

Buiten Nederland is er geen vraag naar deze drop, de Duitse snoepfabrikant Haribo ziet er weinig heil meer in. Dat het zover heeft kunnen komen in dropminnend Nederland! Jammer ook voor de makers van Trekdrop, het biertje dat de Eindhovense brouwerij er van maakte en dat met 9,5 procent en een stevige laurierdropsmaak bierdrinkers overdonderde.

Gelukkig verdwijnt drop niet uit ons land. De Nederlander blijft voorlopig met een consumptie van zo’n 2 kilo per persoon per jaar wereldwijd dropkoploper. Eigenlijk delen we onze dropsmaak, net als in het verleden onze schaatstoppers, alleen met nog wat Scandinavische landen.

In de meeste andere landen is drop ofwel onbekend ofwel een onbegrijpelijk fenomeen. De keren dat we drop meenamen voor onze familie en expat-vrienden in Canada, Nieuw-Zeeland of Hongkong en dat de douaniers bedenkelijk keken zijn legio. Mochten ze een salmiakdropje in de mond steken is hun verbijstering nog groter. Snoepgoed, dit?

En dan kun je ze wel uitleggen dat wij kokindjes hebben, griotten of zachte katjes, Brussels Manneke en dropveters, bosbessendrop die we bij de Spaanse Vlieg kochten, muntdropjes en autodrop, salmiak- en dubbelzoute drop, en nog veel meer, maar dat zal ze niet overtuigen. Waarom zou je van zoethout nou bijvoorbeeld een zout snoepje maken?

Wortelstok

Want om zoethout gaat het eigenlijk. Dat is de basis van drop. Zoethout is overigens geen hout: het is de gedroogde wortel of wortelstok van een meerjarig lid van de bonenfamilie, de Glycyrrhiza glabra. Een plant die voorkomt in zuidelijk Europa, maar ook in het Midden-Oosten en bijvoorbeeld China, en die wortels vormt die wel 4 meter lang kunnen worden. De Latijnse naam glycyrrhiza is een verbastering van Griekse woord voor ‘gladde zoete wortel’. Hij is nog te herkennen in het Engelse woord voor drop, liquorice , en in Noordse talen, waar het lakris heet. De Fransen spreken van réglisse .

Onze naam ‘drop’ komt letterlijk van het middel-Nederlandse woord voor ‘druppel’ of ‘drup’. Niet per se van een druppel vloeistof, maar ook van een gestolde druppel stroop, hars of gom. Het vloeibare extract van de zoethoutplant, gemengd met Arabische gom, stolde tot dergelijke dropjes, of druppels. Dat werd in de Middeleeuwen in onze streken gedaan, en elders al duizenden jaren eerder. Waarbij drop vooral werd geprezen om zijn vermeende medicinale werking.

  loading

Het Engelse woord drops verwijst overigens ook naar medicinale ‘snoepjes’. Extract van de zoethoutplant, in combinatie met kaneel en anijs, werd bij de oude Egyptenaren vermeld als medicijn tegen pest en andere ziekten. Vandaar dat bij de opgraving in 1923 van het graf van farao Toetanchamon (rond 1350 voor Chr.) diverse potten met zoethoutextract gevonden. Hij moest natuurlijk ook in het hiernamaals ‘gezond’ gehouden worden.

Dichter bij huis schreef Jacob van Maerlant in zijn Der naturen bloeme (1271-1272 na Chr.) over drop als handig middel tegen hoest en luchtweginfecties. En ook in oude geschriften in het Midden-Oosten, waar de zoethoutplant welig tierde, werd hoog opgegeven over de geneeskrachtige kwaliteiten van het gestolde wortelsap.

Van al die gezondheidsclaims is in onze tijd maar weinig overeind gebleken. Dat drop goed tegen hoest is, komt door slijmoplossend vermogen van enkele bestanddelen. Wel duidelijk: zoethout en drop hebben bij teveel snoeperij een hogere bloeddruk tot gevolg, en het zou ook nog eens het mannelijke libido negatief te beïnvloeden.

Blokdrop

Blijft over zoethout en drop als lekkernij. Mensen over de hele wereld hebben wel eens op zoethout gekauwd. Voordat suiker ons belangrijkste zoetsel in de keuken werd leverde de plant ons al zoetstof. In de schors en het weefsel van de zoethoutwortel zo’n 4 tot 5 procent glycyrrhizine , een stof die dertig- tot vijftigmaal zo zoet is als suiker.

Maar waar en wanneer komen dan al die muntdropjes, zoete en zoute dropjes uit onze snoepwinkel om de hoek kijken? Een ding is zeker: de drop zoals wij die kennen is niet in Nederland uitgevonden. Het was de Italiaan Giorgio Amarelli die in 1731 van zoethoutwortelsap voor het eerst blokdrop maakte.

Blokdrop is het uitgeperste sap van zoethoutwortels. Het sap wordt gefilterd en daarna langdurig gekookt tot een dikke stroperige massa. Deze massa wordt in blokken gegoten om daarna verder verwerkt te worden. In de dropfabrieken wordt de blokdrop opgelost in water en vermengd met andere smaakstoffen zoals honing, salmiak en munt.

Er worden verdikkingsmiddelen aan toegevoegd – vroeger was dat gom, tegenwoordig vooral zetmeel en gelatine – en zoet-, kleur- en smaakstoffen. Alles wordt gemengd tot een soort deeg, met dank aan de bindende werking van het zetmeel, dat vervolgens in de dropjesvormen die we kennen wordt uitgehard. Daarin zit nog maar zo’n vijf procent van de oorspronkelijke blokdrop.

Mysterie

Waarom de meeste dropfabrieken in Nederland staan, of waarom wij hier überhaupt drop in deze vorm eten, blijft nog een beetje een mysterie. Misschien omdat het, zoals Van Maerlant al zei, goed was tegen hoest en keelpijn, want daarvan hebben wij in ons klimaat (en andere koudvochtige gebieden als Scandinavië) vaker last van dan in warmere streken.

Anderen verklaren het ook wel uit onze calvinistische inborst. Drop is zwart en de smaak is vaak zout, soms zelfs ‘dubbelzout’. Om dat als ‘snoepje’ te eten heeft meer met lijden te maken dan met genot. En het is lekker zuinig, je eet het niet hap-slik-weg, maar je zuigt er langer op. Omdat je het ook in allerlei variaties bij apothekers en drogist kunt krijgen, heeft het ook een imago van deugdzaamheid en heilzaamheid.

In tegenspraak met dat calvinisme is de hedendaagse dropconsumptie, waarbij sommige grootgebruikers zelfs spreken van een ‘verslaving’. Een aparte rol daarin speelt het plakkerig zoete type Engelse drop (dat in Engeland all sorts heet). Veel Nederlanders beschouwen het niet echt als drop, omdat het te frivool veelkleurig en veelsmakig is.

Smaakmaker

Toleranter zijn we tegenover de Scandinavische dropmakers – misschien omdat Zweden, Noren, Finnen en Denen vroeger Hollandse drop in de oude Hanze-handel importeerden. In Scandinavië maken ze meestal onderscheid tussen het zoetere lakris en het zoute salmiak . Dat laatste is een oude benaming voor ammoniumchloride. Overigens mengen ze in die noordelijke landen ook wel drop als smaakmaker door wodka – zoals in België en Engeland het wel door stoutbier mengen.

Drop is in onze keuken niet echt doorgedrongen, terwijl het toch zoete en ook wat anijsachtige bestanddelen heeft. De dropsoep van dwarskoker Pierre Wind– met andere opmerkelijke ingrediënten als inktvisinkt, basilicum en Drambuie – heeft niet echt navolging gekregen, hoewel de chefs van de New Nordic Cuisine af en toe ook wat Lakrids in hun eten gooien. Combineren ze dan vaak met laurier.

Voor de liefhebbers: je kun zelf thuis van zoethout ook drop maken, daarvoor zijn op het internet een keur aan filmpjes en recepten te vinden. Misschien maakt iemand wel weer trekdrop voor Pierre Wind en onze Italiaanse ijsmaakster.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra